







































































|
|
Bouw
van een
Poratief
Dit artikel is
eerder verschenen in 'De Bouwbrief' nummers 118, 119 en 120, orgaan van
de werkgroep Bouwerskontakt van Huismuziek. Losse nummers van de
Bouwbrief kunt u bestellen bij
info@huismuziek.nl
|
 |
Dit portatief is
gebouwd met deze
bouwbeschrijving.
|
| |
Portatief ( Joh.
de Vries, MMIII) |
Jos Huijben, Alphen NB |
|
Inleiding:
Het bouwen van een portatief is zowel
voor de beginnende als de gevorderde orgelbouwer een aantrekkelijke
klus. De beginner komt door dit eenvoudig te bouwen instrument in
aanraking met alle kenmerkende onderdelen van een orgel. Het is dus een
uitstekend oefenstuk dat ook nog een aantrekkelijk instrument oplevert
en zelfs in zijn primitiefste uitvoering emotioneert. De gevorderde
bouwer kan zijn hart ophalen aan het perfectioneren van de touché, de
klank en het balggebruik. En, door zijn grootte staat het portatief
nooit in de weg. Kortom, een dergelijk instrument moet je een keer
gebouwd hebben. |
|
 |
I. Geschiedenis
Over de oudste ontwikkeling van het
orgel is weinig bekend. In bronnen die de middeleeuwen behandelen, wordt
wel eens iets gezegd dat betrekking zou kunnen hebben op een orgel, maar
het woord ‘o r g a n u m’, in het algemeen een ‘werktuig’, maakt dat
betwistbaar. Vrij zeker is echter dat het orgel is voortgekomen uit de
syrinx, de pansfluit. De beschrijving van de pansfluit is ongeveer
hetzelfde als van het orgel. Aanvankelijk zeven naast elkaar opgestelde
pijpen, de ene pijp telkens wat korter dan de andere. Wanneer men op het
idee kwam om de pijpen niet met de mond maar met blaasbalgen aan te
blazen is niet bekend. De komst van de balg ligt dus in het duister. De
oudste orgeltekeningen laten het instrument zien als het al tot
ontwikkeling is gekomen, bijvoorbeeld op figuur 1, een grafschildering
uit Brugge. Een dergelijk instrument was draagbaar en heette daarom
portatief. Het werd gebruikt bij processies, maar ook bij feesten. Eén
persoon bediende het instrument en droeg het met een leren riem om de
rechter schouder. De linker hand bewerkt de balg en de rechter hand
bespeelt de toetsen.
|
|
Figuur 1
Afbeelding van een portatief op
een grafschildering te Brugge. |
|
|
|
|
|
Dergelijke
oude afbeeldingen zijn vaak weinig gedetailleerd. De pijpen worden
afgebeeld met een starre mensuur, dat wil zeggen dat alle pijpen een
gelijke diameter hebben. Je zou kunnen veronderstellen dat de tekenaars
of schilders het niet zo nauw namen met het afbeelden van de pijpen,
maar een starre pijpmensuur was in die tijd gebruikelijk. De toon moet
vrij hoog geweest zijn als je kijkt naar de lengte van de pijpen in
verhouding tot de bespeler. De grootste pijp is dan ongeveer dertig tot
veertig centimeter lang. Die verhouding komt ook op veel voor andere
afbeeldingen. Bijvoorbeeld op een tekening naar een schilderij van Forli,
figuur 2. Hier wordt het portatief met een riem om de linker schouder
gedragen. De balg zit aan de onderkant van het orgeltje zodat het ook
alleen maar tijdens het dragen gespeeld kan worden. Merkwaardig is de
vorm van de toetsen die omhoog komen uit een schuin vlak. |
 |
|
|
Figuur 2
Tekening van een portatief naar een
schilderij van Melozzo da Forli (1438 – 1494) |
|
 |
Een schilderij van Memling, figuur 3,
geeft een nauwkeuriger beeld van een portatief. Op dit schilderij is
duidelijk de kast en de balgconstructie te zien. Wat minder goed is het
klavier en de pijpmensuur te beoordelen. Het lijkt wel of hier al
enigszins wordt afgeweken van de starre mensuur. De lengte van de
grootste pijp is duidelijk langer dan op andere afbeeldingen. Naar
schatting ongeveer zestig centimeter. Deze afbeelding is als voorbeeld
gebruikt voor de bouw van een portatief.
Principe van het portatief
Het portatief heeft in grondbeginsel
alle elementen van een orgel. Het klavier is direct op de windlade
gemonteerd en heeft een stekermechaniek. Om het geheel compact te houden
zijn de toetsen vrij kort of bestaan slechts uit een soort knoppen zoals
bij een accordeon. Direct achter de toetsen staan de pijpen. Tegen de
achterzijde van de lade is een enkele balg gemonteerd. Tijdens het
spelen op een portatief moet men dus, net als bij zangers, ‘ademhalen’.
Voor het portatief betekent dat: de balg open trekken. Men doet dit
steeds aan het einde van een muzikale regel. Muziek die voor dit
instrument geschreven is houdt hier al rekening mee, net als bij
psalmen, gezangen en ook popliedjes de lengte van de regels is afgestemd
op de adem van een gemiddelde zanger. Je moet ten slotte een keer
ademhalen. Om een niet al te groot gat in de muziek te laten vallen moet
het open trekken van de balg bij een portatief vrij snel kunnen
gebeuren. Tijdens het spelen druk je de balg weer dicht door een lichte
druk uit op het balgdeksel uit te oefenen. |
|
Figuur 3
Fragment van een
schilderij van Hans
Memling ‘God en de
musicerende Engel’
(15de eeuw). |
|
De druk moet redelijk
constant zijn, maar naar het einde van de balggang, als de balg leeg
begint te raken, iets meer om het wat nadelige drukverloop van de enkele
vouwbalg te compenseren.Gevorderde spelers variëren tijdens het spelen
de druk toch al enigszins en geven daarmee accenten in de muziek. Bij beheerste
toepassing zal het portatief er nauwelijks van ontstemmen. Je kunt dit
vergelijken met de winddruk accenten van een blokfluitspeler. Dat de
winddruk in de pijpen toch redelijk constant blijft bij wisselende
balgdruk komt door de toegepaste windvoering. De wind naar de cancellen
komt slechts door een paar kleine klepgaten. Deze gaatjes vormen een
weerstand in de windtoevoer en zorgen er zo voor dat de druk in de
cancellen veel minder varieert dan de druk in de balg en de windlade.
Dit komt doordat de effectieve oppervlakte van het gaatje afneemt bij
een hogere windsnelheid. Ook in de elektriciteitsleer gebruikt men
weerstanden om een stroom te stabiliseren. Om dit effect op de winddruk
bij ons portatief te behouden is het dan ook af te raden de
klepopeningen groter te maken. |
|
II. De pijpen
Uit het fragment van het schilderij van
Memling (fig. 3) zou je kunnen opmaken dat de corpuslengte van de
grootste pijp ongeveer zestig centimeter lang moet zijn, of in een
ouderwetsche eenheid: 2 voet (vt). Het corpus van de pijp is het deel
waarin de toon wordt opgewekt, zie figuur 4. Bij een 8 voetsregister
geeft de pijp met een 2 vt lengte de toonhoogte c¹. Dat zou goed passen
bij zangmelodieën, immers bij de meeste gezangen, liederen, e.d., is c¹
de laagste toon. Het klavier omvat twee octaven zodat ook de hoogst
voorkomende noten bij het zingen gespeeld kunnen worden. Het portatief
is daarmee geschikt om het zingen te begeleiden. Voor de pijpen
gebruiken we bijvoorbeeld twee diskant octaven van een 8 vt, maar ook de
twee baskant octaven van een 2 vt register hebben de goede lengte. De
laagste pijptoon heet dan C (groot). In de bouwbeschrijving zal ik de 2
vt benaming voor de pijpen hanteren. Voor het portatief heb ik mensuren
overgenomen van de ‘Construction Manual 2ft Portatief Organ, Renaissance
Workshop Company Ltd’. Deze zijn in de tabel weergegeven. De tabel
begint bij de pijp C (groot) van de 2 vt die dus dezelfde toonhoogte
heeft als c¹ van een 8 vt register. |
|
no. |
toon
2vt |
corpuslengte
mm |
diameter
mm |
|
1 |
C |
607 |
45 |
|
2 |
C# |
571 |
43 |
|
3 |
D |
538 |
41 |
|
4 |
D# |
506 |
39 |
|
5 |
E |
476 |
37 |
|
6 |
F |
448 |
35 |
|
7 |
F# |
421 |
33 |
|
8 |
G |
396 |
32 |
|
9 |
G# |
373 |
31 |
|
10 |
A |
351 |
30 |
|
11 |
A# |
330 |
29 |
|
12 |
B |
310 |
27 |
|
13 |
c |
296 |
26 |
|
14 |
c# |
279 |
25 |
|
15 |
d |
263 |
24 |
|
16 |
d# |
248 |
23 |
|
17 |
e |
234 |
22 |
|
18 |
f |
221 |
21 |
|
19 |
f# |
217 |
20 |
|
20 |
g |
205 |
19 |
|
21 |
g# |
190 |
18 |
|
22 |
a |
179 |
17 |
|
23 |
a# |
169 |
16 |
|
24 |
b |
158 |
15 |
|
25 |
c¹ |
148 |
14 |
|

Figuur 4 Corpus en voet
van een orgelpijp |
|
Tabel 1,
Mensuren voor de pijpen van het portatief.
De labiumbreedte is ¼ van
de omtrek, de
opsnede 1/3 van de labiumbreedte. |
|
|
Het corpus van de pijp staat op een voet, deze heeft
bij dit register voor alle pijpen een hoogte van 16 centimeter. De even
genummerde pijpen, geteld vanaf C#, hebben een V-hanger aan de
achterzijde. De oneven pijpen hebben een V-hanger aan de voorzijde. De
onderkant van de hanger heeft een hoogte van 27 centimeter gerekend
vanaf de pijpvoet. De genoemde maten kunnen natuurlijk worden aangepast
aan eventueel beschikbaar pijpwerk. De pijpen kan je laten maken door
één van de gerenommeerde pijpenmakers in ons land, maar dan moet je
beschikken over een goed gevulde portemonnee. De kosten bedragen zo’n €
500,-. Natuurlijk kan je ook gebruikmaken van tweedehands pijpwerk. Bij
veel orgelbouwers ligt wel wat overgebleven pijpwerk op zolder. Ik
betaalde hiervoor € 5,- per pijp. Voor wie zelf aan de slag wil met het
maken van metalen pijpen worden door Bouwerskontakt regelmatig cursussen
georganiseerd. Als je daarop niet kan wachten dan is een uitstekende
handleiding voor het maken van metalen pijpen van de hand van John
Boersma te vinden in de Bouwbrief 86, augustus1997.
Uiteraard zijn voor het portatief ook houten pijpen
te gebruiken. Houten pijpen hebben bij het vervoer van het instrument
het voordeel dat ze lichter en minder kwetsbaar zijn. Gebruik bij het
maken van houten pijpen de gegeven diametermaten in de mensuurtabel als
buitenwerkse pijpmaten. Het labium is dan twee maal de houtdikte
smaller. Maak de pijpen vierkant zodat ze een heldere klank krijgen. Ook
voor het maken van houten pijpen zijn al verschillende artikelen in de
Bouwbrief verschenen. Geknipt voor het portatief is het pijpwerk van de
8 vt Prestant, beschreven in Bouwbrief nummer 80, februari 1996, ook van
de hand van John Boersma. Gebruik uit de mensuurtabel van het genoemde
artikel voor de pijp C-groot op het portatief de omtrekmaten van de pijp
gis uit die tabel. Voor de C# op het portatief de maten van a, enz. Voor
de pijplengten en de opsneden gebruik je gewoon de maten van c¹,
c¹#,
enz. De pijpklank wordt daardoor iets luider en dat is ook de bedoeling.
Immers, een portatief is bedoeld voor het maken van muziek op straat.
Knip voor elke pijp een rondje of vierkantje uit
papier met de juiste pijpdiameter c.q. pijpomtrek en geef het midden
(van de pijpvoet) aan. Noteer op elk stukje papier de pijptoon. Dit
gebruiken we later bij het maken van de windlade.
Intoneer de pijpen op een intoneerlade. Vanwege de
windvoorziening op het portatief is het niet handig om dit op het
instrument zelf te doen. Zet de winddruk van de intoneerlade op ongeveer
40 mm wk, maar controleer of de pijpen niet gaan overblazen bij een wat
hogere winddruk. Bij een winddruk van 50 tot 60 mm wk moeten ze nog de
grondtoon geven. Stem de pijpen in de middentoon stemming, die past het
beste bij dit instrument.
III. Het klavier
Voor het maken van een klavier zijn al verschillende
artikelen in de Bouwbrief verschenen, o.a. Bouwbrief 98, augustus 2000.
Meestal heeft een bouwbeschrijving wat aanpassingen nodig omdat het
klavier van het portatief relatief korte witte en zwarte toetsen heeft.
De witte toets is 30 mm en de zwarte 55 mm lang. De totale lengte van de
toetsen is 155 mm. De constructie van het klavier is conventioneel, zie
tekening 1 en 2. De toets draait om een stift aan de achterzijde van de
toets en wordt in zijn zijdelingse beweging beperkt door een ingevoerde
stift aan de voorkant. Als variant hierop kan je een klavier maken met
een schanier van perkament of kunststof. De bouwbeschrijving daarvan is
bijvoorbeeld te vinden in Brouwbrief 100, februari 2001. De toetsstaart
moet bij een dergelijke constructie ingekort worden tot enkele
centimeters en men heeft dan geen voorzieningen nodig om de zijdelingse
beweging te beperken. De touché van een kort klavier is anders dan van
het conventionele staartklavier maar heeft voor het portatief het
voordeel dat het minder plaats inneemt op de lade. Bij gebruik van een
kortere toetsstaart kan de aangegeven dieptemaat van 300 mm voor de lade
worden aangepast zodat het orgeltje nog compacter wordt.
Een alternatief is het gebruik maken van een
overtollig harmonium klavier. Harmoniums worden vaak voor (bijna) niets
aangeboden en hebben behalve het klavier nog meer bruikbare onderdelen
voor orgelbouw in het algemeen, zoals het hout en de balgveren. Een
aanbod voor een gratis harmonium moet je dus niet afslaan. Het gebruik
van een oud klavier heeft als voordeel dat je niet hoeft te zoeken naar
een stukje uitgewerkt hout voor de toetsen of ebbenhout voor de zwarte
toetsen. Ook heeft een oud klavier al geleidestiften en voeringen
daarvoor in de toetsen. Alleen de afmetingen kloppen niet. Het klavier
behoeft dus het enige aanpassingen voor het gebruik op ons portatief. Ga
dan als volgt te werk.
Klavierframe
Een harmonium klavier, maar ook elk ander
orgelklavier, heeft altijd een eigen frame. Dat laten we tijdens de
ombouw naar portatiefmaten zolang mogelijk in tact om een correcte
passing van de geleidestiften van de toetsen te behouden. Zoek 25
toetsen uit -twee octaven plus één toets- waarvan de toetsen weinig
slijtage tonen, meestal de onderste twee octaven, en verwijder de rest.
Verwijder ook de stiften van de niet gebruikte toetsen. Gooi ze nog niet
weg, we gebruiken ze later nog. Haal van de geselecteerde toetsen eerst
de witte toetsen van het frame en kort deze aan de voorkant in op de
cirkelzaag tot 30 mm, zie tekening 2. Met een beitel is nu meestal
gemakkelijk het plastiek van de toetsen te verwijderen. Mocht een toets
te veel beschadigen bij deze operatie, dan kan je één van de niet
gebruikte toetsen daarvoor in de plaats nemen. Kijk eerst even of de
vervangende toets wel goed loopt op zijn nieuwe plek. Soms moet je de
geleidestiften wat verbuigen. De passing van de draaistift aan het einde
van de toets is niet van belang.
Neem nu de zwarte toetsen van het
frame. Leg een toets op zijn kop op tafel en meet de hoogte van de
zwarte toets zonder toetsstaart. Deze kan aflopend zijn, maar houdt toch
de toetsstaart horizontaal. Stel de cirkelzaagdiepte hierop in en kort
de zwarte toetsten in tot 55 mm met behulp van de langsgeleider. Leg
eerst een blokje afvalhout van de gemeten dikte tegen de dwarsgeleider
van de cirkelzaag zodat de toetsstaart hierop kan steunen. Na het
inzagen kan je de overmaat van de zwarte toets meestal eenvoudig
afbreken. In veel gevallen is de hoogte van de zwarte toetsen van
harmoniums ruim bemeten. Dat staat niet op ons portatief. Je kunt deze
verlagen tot 10 mm. Stel daarvoor de langsgeleider in op een afstand van
de dikte van de toetsstaart plus 10 mm. Schuur en polijst het
zaagoppervlak glad. |
| |
| Leg de buitenste witte toetsen C en
c¹ tijdelijk terug op het frame en trek een lijn op 3 mm voor de
voorkant van de toetsen op het frame. Markeer ook de zijkanten van de
toetsen op het klavierframe. Monteer nu in het frame een nieuw balkje
voor de achterste toetspennen tussen de zijkanten van het bestaande
frame, zie figuur 5, breedte ongeveer 35 mm. |
|
 |
|
Figuur 5 Harmonium klavierframe aangepast
voor het portatief. In grijs het
oude frame, in wit het
overgebleven deel voor het portatief. |
| |
|
Voor de diktemaat van het balkje neem je 8 mm meer
als de dikte van de bestaande voorste framebalk. Het balkje wordt aan de
bovenkant afgerond, zie tekening 1. De achterkant van dit balkje komt op
160 mm vanaf de zojuist aangebrachte markering bij de toetsvoorkant.
Maak voor het balkje een halfhoutsverbinding in de zijkanten en lijm het
vast. Leg nu alle toetsen weer terug en boor in het midden van elke
toetsstaart, op een afstand van 140 mm vanaf de voorkant van de witte
toetsen, nieuwe gaten voor de draaipennen. Neem voor de boormaat de
diameter over van de aanwezige pennen op het frame en verminder deze met
0,5 mm zodat de stiften straks goed in het hout klemmen. Gebruik bij het
boren een boormaatje om de boor vertikaal te houden en stel de diepte zo
in dat het nieuwe balkje niet doorboord wordt. Neem alle toetsen weer
van het frame en ruim het gat in de toetsstaarten op tot de echte maat
van de draaistiften.
Verplaats de draaistiften van het bestaande frame
naar het nieuwe balkje. Tik de stiften in het balkje met behulp van een
malletje zodat ze allemaal even diep komen, ongeveer 20 mm boven het
frame. Een malletje is gewoon een stukje afval hardhout, 20 mm dik met
een gaatje dat net iets ruimer is als de stiften. Verbind nu het nieuwe
achterbalkje met de bestaande voorste framebalk met twee nieuwe
zijlatjes. Deze latjes komen precies naast de gemarkeerde zijkanten van
de buitenste toetsen C en c¹. Het latje heeft de dikte van de bestaande
voorste framebalk en een breedte van 40 mm. Maak hiervoor
halfhoutsverbindingen en lijm ze vast. In figuur 5 is aangegeven hoe het
portatief klavierframe nu in het harmonium klavierframe bevestigd is.
Zaag nu pas het harmonium frame door vlak naast het
nieuwe klavierframe voor ons portatief. Controleer de breedte van het
nieuwe frame, dat moet nu 430 mm zijn. Indien nodig beide zijkanten iets
innemen en later de bakstukken hierop aanpassen. Vaak zal de voorste lat
van het harmonium frame nog te breed zijn. Versmal deze lat tot aan de
markeringstreep die je eerder op 3 mm voor de toetsvoorkant hebt gezet.
Controleer de diepte van het frame, dit moet nu 160 mm zijn. Lijm
bakstukken van 160x38x25 mm (lxbxh) op de zijkanten van het
klavierframe. De bakstukken zijn wat smaller dan de zijlatjes, zodat de
buitenste toetsen wat ruimte krijgen. De hoogte van de bakstukken moet
eventueel worden aangepast aan van de dikte van het frame. Kies de
hoogte van de bakstukken zo dat ze iets hoger worden dan de witte
toetsen als die horizontaal liggen. Neem voor de bakstukken een goed
ogend stukje hout en bewerk het naar eigen smaak.
Afwerking klavier
Kort alle toetsstaarten in tot er een totale lengte
van 155 mm voor de witte toetsen overblijft. De toets voor c¹
heeft nog een uitsparing van de niet gebruikte c#.
Vul dit op met een stukje hout. Zaag of frees uit de achterkant van de
toetsstaart een uitsparing 8x30 mm zoals aangegeven in tekening 2. Om de
draaibeweging van de toets mogelijk te maken moet het geboorde gat voor
de draaistift in de bovenkant van het staartstuk zijdelings worden
opgeruimd. Dit kan met een sleutelvijltje of beiteltje al naar gelang de
eigen ervaring. Omdat de draaistiften meestal een dikte van 3 mm hebben
-dit is dezelfde dikte als een cirkelzaag- kan je ook de bovenkant van
de toetsstaart ter hoogte van het geboorde stiftgat inzagen over een
lengte van ongeveer 25 mm zoals aangegeven in tekening 2.
De toetsen kunnen nu voorzien worden van toetsbeleg.
Neem hiervoor een aantrekkelijke houtsoort met een dikte van 2 mm. Maak
je het beleg met een schaafbank op dikte, dan is het verstandig om het
voorgezaagde beleghout eerst met dubbelzijdig plakband op een vlakke
plaat te bevestigen. Daarmee voorkom je dat het dunne hout door de
machine aan flinters wordt geslagen.
Het beleggen van de toetsen kan op verschillende
mannieren gebeuren. Een goede methode is om alle witte toetsen in het
frame te plaatsen en een aantal toetsen tegelijk te belijmen met beleg.
Als de lijm droog is kunnen de toetsen met een lintzaag of figuurzaag
weer van elkaar geschieden worden. Lijm eerst het beleg op de voorkant
van de toetsen en daarna op de bovenkant. Zorg ervoor dat het beleg van
de bovenkant 1 à 2 mm bij de voorkant uitsteekt. Uiteraard kan je de
toetsen ook één voor één beleggen. De voorkant van elke toets kan je dan
voorzien van een elegant frontje. Vind je het lastig om dat zelf te
maken, kijk dan eens in een bouwmarkt naar smalle sierlijstjes. Deze
hebben een repeterend patroon waar je eenvoudig identieke stukjes van
toetsbreedte af kan zagen. Schuur en polijst de toetsen glad naar eigen
inzicht.
Plak stroken vilt op het frame onder de achterkant en
de voorkant van de toetsen. Plak ook een klein stukje stevig vilt of
kernlaken onder de toetsen precies tegenover het stotergaatje. Gebruik
hier geen zacht vilt, dat plet tijdens het spelen zodat de toetsen
ongelijk komen te liggen. Dek de toetsstaarten af met een representatief
stukje hout van 430x70x12 mm. Maak aan de onderkant in de lengte een
uitsparing om ruimte te geven aan de draaipennen van de toetsen, zie
tekening 1. Lijm een dikke strook zacht vilt in de uitsparing om de
toetsstaarten naar beneden te houden. Het plankje wordt bevestigd op de
bakstukken met bijvoorbeeld messing bol-verzonken schroeven en een conus
ringetje. Tegen het balkje stoten straks de toetsen bij het omhooggaan.
Lijm daarom ook een strook vilt onder de voorkant van het balkje.
Inspecteer de diepgang van de toetsen, 8 mm is ruim voldoende.
IV. De windlade
De windlade bestaat uit 3 lagen, in tekening 1
en tekening 3 aangegeven met A, B, C. Hiervoor is elk hout of plaatmateriaal geschikt
dat zijdelings geen of nauwelijks wind doorlaat. Je kunt bijvoorbeeld de
watervaste variant van MDF gebruiken. Dit materiaal laat zich
gemakkelijk frezen en boren zonder hinderlijke splinterranden. Er zijn 2
diktes toegepast, 10 mm en 20 mm. Gebruik je de handelsmaten 8 mm en 18
mm, dan moet je daaraan de boordieptes in de windlade die hierna gegeven
worden aanpassen en later ook de hoogte van de kast.
Zaag 2 stuks van 300x430x20 mm en 1 stuk van
300x340x10 mm. Leg de platen netjes op elkaar, te beginnen met de twee
platen van 20 mm, daarbovenop de plaat van 10 mm. Nummer de platen
volgens tekening 1 met de letters A, B, C, en geef op elke plaat de
onder- en bovenkant en de voor- en achterkant aan. Boor in drie hoeken
gaatjes voor paspennen zodat ze tijdens het bewerken steeds nauwkeurig
op elkaar liggen. Als paspen kan je een stukje rondhout of een deel van
een grote spijker gebruiken mits je daarvoor een nauwkeurig passende
boor hebt. Trek haaks op de zijkant een potloodlijn op 50 mm vanaf de
voorkant. Leg nu het al gemaakte klavierframe op de bovenkant van de
stapel. De voorkant van het frame ligt gelijk met de voorkant van de
bovenste plaat. Controleer of de potloodlijn zichtbaar is, deze moet
minimaal 5 mm vanaf de voorste klavierbalk liggen. Lijn zonodig iets
opschuiven. Markeer op deze lijn het hart van elke toets van het klavier
en sla hier een centerpuntje. Controleer de hartafstanden, deze moet
13,6 mm zijn. Hier komen straks de gaatjes voor de toetsstoters. De
markering ligt voor de witte en zwarte toetsen op één lijn.
Maak achter het klavier een verhoging voor de pijpen,
de pijpenstok. Neem hiervoor een net stukje hout van 430x140x40 mm en
lijm het vast op de bovenste plaat. Je kunt dit balkje ook samenstellen
uit meerder lagen hout of plaatmateriaal. Zaag alvast een plankje voor
de pijpenhanger uit een stukje hardhout, 430x140 mm, ongeveer 20 mm dik.
Plak dit met plakband rondom vast op de pijpenstok.
Teken op het plankje voor de pijpenhanger in de
lengte in het midden een lijn. Geef aan de linkerkant, waar de pijpen C
en C# komen, voor en achter de middellijn een markering op 10 mm. Geef
aan de rechterkant, waar de pijpen b en c¹
komen, een markering op 16 mm voor en achter de middellijn. Verbind met
een potloodlijn de markeringen voor en achter het midden met elkaar, zie
tekening 4. Neem de eerder gemaakte papieren malletjes van de pijpen en
verdeel deze over de pijpenstok in twee rijen. Van de achterste rij
pijpen ligt de voorkant tegen de achterste lijn, van de voorste rij
pijpen ligt de achterkant tegen de voorste lijn. Op de achterste rij
komen de oneven genummerde pijpen (13 stuks) te beginnen met C, op de
voorste rij de even genummerde pijpen (12 stuks) te beginnen met C#. Als
de pijpen netjes verdeelt zijn, sla je met een centerpons een putje in
het hout in van het midden van de pijpmal. Noteer hierbij met potlood de
pijptoon. Neem de papiertjes weg en trek een lijn door alle
centerpuntjes en controleer of ze netjes op één lijn liggen, zie tekening 4, windlade deel A.
Nu kan het boren beginnen. Boor door het plankje voor
de pijpenhanger in het hart van elke pijp een gaatje, boormaat 2 mm,
diepte 30 mm. Verwijder het plakband en neem het plankje van de
pijpenstok af. We gebruiken dit later voor het maken van het
pijpenhanger balkje. Neem voor het gemak alle pijptonen van het plankje
over op de pijpenstok.
Klem nu alle platen van de windlade stevig op elkaar
met de paspennen op hun plaats. Boor door de pijpenstok met als
centerpunten de 2 mm gaatjes, een gat van 8 mm voor de 13 grootste
pijpen. Dat zijn de pijpen C tot en met c. Boor voor de overige pijpen
een gat van 6 mm. De gaten van de achterste rij pijpen boren tot een
diepte van 80 mm, de gaten van de voorste rij pijpen boren tot een
diepte van 60 mm. Deze dieptematen aanpassen als je andere diktes voor
de platen hebt gebruikt. Geef de gaten in de pijpenstok met een
verzinkboor een schuine kant.
Boor nu alle gaatjes voor de toetsstoters door en
door, 50 mm diep, boordiameter 3 mm. Klem om splinteren te voorkomen een
stukje afvalplaat tegen de onderste plaat. Draai de stapel platen om en
teken door het hart van elk stotergaatje over de hele onderkant een lijn
haaks op de voorkant. Zet op deze lijnen streepjes op 20 mm en op 40 mm
vanaf het stotergaatje. Sla in elk kruispunt een putje in het hout met
een centerpons. Boor hier de klepgaten met een diameter van 7,5 mm. Voor
de oneven genummerde toetsen, te beginnen bij C, tot een diepte van 15
mm. Voor de even genummerde toetsen, te beginnen bij C#, tot een diepte
van 35 mm.
Haal de platen van elkaar en controleer alle gaten.
Neem nu plaat C en frees in de bovenkant de cancellen voor de achterste
rij pijpen zoals aangegeven in tekening 6, windlade deel C. Frees 10 mm
diameter, diepte 12 mm. De cancellen verbinden de oneven genummerde
toetsen met de achterste rij pijpvoetgaten. Frees de eerste 40 mm haaks
op de voorkant om de klepgaten met elkaar te verbinden. Daarna een
stukje schuin en tenslotte weer haaks naar het pijpvoetgat. Deze
freesroute heeft de bedoeling om zoveel mogelijk materiaal tussen de
cancellen te laten staan. Zou je meteen schuin naar het pijpvoetgat
frezen, dan komen de cancellen te dicht bij elkaar te liggen. Gebruik
een geleider om het weglopen van de frees te voorkomen. Let er op dat
naast de niet gefreesde klepgaten voldoende hout blijft staan, aan elke
kant ongeveer 5 mm. Frees hierna de cancellen in de bovenkant van plaat
B, volgens tekening 5, windlade deel B. Deze cancellen verbinden de even
genummerde toetsen met de voorste rij pijpvoetgaten. Ook hier eerst een
stukje haaks op de voorkant frezen om de klepgaten te verbinden, daarna
een stukje schuin om tenslotte weer haaks het pijpvoetgat te naderen.
Smeer na het frezen alle cancellen flink in met verdunde houtlijm om ze
luchtdicht te maken. Doe dit een paar keer maar let er op dat er geen
overtollige lijm op de bovenkant van de plaat achterblijft. Schraap
daarom na het inzepen de overtollige lijm met een spaan van de bovenkant
van de platen.
Lijm nu de platen met verdunde lijm op elkaar.
Gebruik niet te veel lijm. Maak gebruik van een verfrollertje voor het
aanbrengen van een gelijkmatige lijmlaag. Plaats de paspennen voor de
juiste positionering. Gebruik tijdens het drogen liever geen
lijmklemmen, deze geven een ongelijkmatige druk. Plaats liever het
geheel op een vlakke tafel en verzwaar het met gewichten, bijvoorbeeld
een paar stoeptegels en laat het rustig drogen.
Breng hierna in de onderste plaat C van de lade
rondom een sponning aan, 15 mm breed, 10 mm diep. Maak voor de
kleppenkast onder de windlade een raamwerkje van plaatmateriaal, 80 mm
breed, 15 mm dik, met buitenmaten 430x300 mm. Geef de hoekpunten
halfhoutsverbindingen. Pas of het raamwerkje nauwkeurig in de sponning
aansluit maar lijm het nog niet vast. Maak alvast in de onderkant van
beide zijkanten van het raamwerkje een uitsparing van 60x15 mm (lxd). De
uitsparing begint op 60 mm vanaf de voorkant van de lade.
Speelkleppen
Maak de speelkleppen volgens tekening 7 uit een
stukje ‘uitgewerkt’ rechtdradig hout, zonder kwasten of noesten. De
speelkleppen zijn in verhouding vrij lang. Dit geeft een prettige
speelaard maar zorgt er ook voor dat straks de achterste geleide stiften
van de kleppen niet in één van de onderliggende cancellen terecht komen.
Zaag de kleppen eerst ‘vierkant’ (13x15 mm) af en
geef aan de bovenkant in de lengte alvast met een potlood of kruishout
een streep precies het midden. Deze hartlijn heb je een paar keer nodig.
Maak een gleuf in het midden van de voorkant en een gat in de achterkant
van de kleppen passend voor de overgebleven stiften van het harmonium
klavier. Natuurlijk mag je ook andere stiften gebruiken. Het gat in de
achterkant van de klep taps maken met een ruimer zodat de klep om de
stift kan draaien. Geef daarna de kleppen hun schuine kanten. Controleer
of alle kleppen vlak zijn.
Teken op de onderkant van de lade een lijn op 20 mm
voor de stotergaatjes en haaks op de zijkant. Trek nog een lijn op 240
mm vanaf deze lijn, ook haaks op de zijkant. Sla op de kruispunten van
deze lijnen met de al aanwezige hartlijnen van de stotergaatjes een
centerputje. Boor in de centerpunten de gaatjes voor de geleidestiften
van de kleppen. Neem de boormaat 0,5 mm kleiner dan de stiften. Sla de
stiften met behulp van een malletje op zijn plek. Laat de stiften
ongeveer 20 mm uitsteken. Pas alle kleppen op de stiften en geef ze
daarna hun nummer. Controleer of ze de klepgaten goed afdekken,
gemakkelijk bewegen en elkaar niet raken. Teken over de kleppen een lijn
op 85 mm vanaf de voorkant van de lade. Sla op deze lijn en precies in
het midden van de kleppen een centerputje. Hierin komt straks een punt
van de klepveer.
Lijm voor de kleppen een strook leer en een strook
vilt van ca.70x350 mm op elkaar. Neem voor het vilt een dikte van
ongeveer 2 mm. Als je voor het leer over een nieuw vel beschikt, snijdt
dan het leer voor de kleppen uit de ‘rug’ van de huid, van kop naar
staart. Breng de lijm dun aan op de haarzijde van het leer en leg daarop
het vilt. Plaats er tijdens het drogen een plankje met wat verzwaring
op. Lijm na het drogen de kleppen op de viltzijde van deze strook. De
lijm dun aanbrengen op de klep en de voorste geleidegleuf vrij houden.
Kleppen ongeveer een beitelpunt dikte uit elkaar leggen. Plaats tijdens
het drogen een plankje over alle kleppen met wat gewicht erop. Als de
lijm droog is de kleppen los snijden met een brede beitel. Breng op de
onderkant van de windlade bij de achterste geleidestiften een strook
vilt aan met dezelfde dikte als de leer-vilt combinatie. Lijm de strook
tegen de binnenkant van de stiften. De ruimte achter de stiften vrij
laten zodat de punten van de kleppen hier op-en-neer kunnen bewegen. Leg
alle kleppen op zijn plek op de lade en controleer of ze vlak liggen en
de klepgaten goed afsluiten. Plaats een stevig plankje over alle kleppen
en zet dit met een paar lijmtangen behoorlijk vast. Laat dit een nachtje
zitten. Hierdoor wordt het klepleer goed in model gedrukt.
Afwerking kleppenkast
Lijm nu het eerder gemaakte raamwerkje
onder de lade. Zaag in een balkje hardhout van 430x60x30 mm langs de
kopse kanten een sponning van 15x15 mm. Op dit balkje drukken straks de
klepveren. Pas het balkje met de sponningen in de gemaakte uitsparingen
in de zijkant van de lade. Het balkje moet luchtdicht aansluiten in de
zijkanten. Zaag nu in de lengte van het balkje, aan de zelfde kant als
de eerste sponningen, een sponning van 50x15 mm. Er blijft een opstaand
randje van 10x15 mm staan. Dit randje wordt naar de achterkant van de
lade gericht, zie tekening 1. In het opstaande randje zagen we gleufjes
om de zijdelingse beweging van de klepveren te voorkomen. Leg eerst het
balkje in de zijkanten en neem op de achterkant met een winkelhaak
precies het midden van de kleppen over. Zaag nu op het hart van deze
lijntjes gleufjes van 3 mm breed en 15 mm diep. Vul voor het zagen eerst
de sponning op met een stukje afvalhout. Trek in het midden van de
sponning een V-groef met de punt van een kruishout of langs een latje
met een kraspen. Deze groef komt op 25 mm vanaf het opstaande randje.
Hierin komt later een punt van de klepveer. Schroef het balkje vast in
de zijkanten van de windlade. De naad moet luchtdicht zijn, gebruik
eventueel een strookje papier om een goede passing te krijgen. De
bovenkant van het balkje moet gelijk liggen met de zijkanten. Controleer
dit met een winkelhaak. |
 |
Plaats nu de klepveren.
Deze kan je kant-en-klaar kopen, maar zelf maken is ook niet moeilijk.
In oude Bouwbrieven zijn al verschillende hulpmiddelen beschreven voor
de doe-het-zelver. Maak voor het plaatsen van de veren een eenvoudig
accessoire volgens figuur 6. Schuif de klepveer in het oogje van het
accessoire en plaats het geheel in een gleufje van het balkje. Zoek met
de punt van de veer naar de V-groef in de sponning en laat de veerpunt
hierin haken. Schuif nu het oogje van de veer af zodat de veer open gaat
en |
|
Figuur 6 Accessoire voor het plaatsen van
de klepveren. |
| |
| zorg er voor dat de
andere veerpunt in het putje op de klep valt. |
| |
|
Bevestig het klavier op de windlade. Plaats de
schroeven hiervoor net naast de bakstukken in de voor- en achterbalk van
het klavierframe. Schroeven eerst voorboren. Maak 25 stotertjes met een
diameter van 2,5 mm, lengte ongeveer 80 mm, bijvoorbeeld van de stoters
van het gesloopte harmonium. Maar saté prikkers gaat ook prima. Zaag
eerst een stoter af op proef en controleer de lengte, de toets moet
horizontaal komen te liggen. Steek de stoters in de gaatjes onder het
klavier en test de kleppen grondig.
Maak voor de onderkant van de windlade een bodem
430x300x15 mm uit plaatmateriaal. Plak stroken leer, 15 mm breed, over
de zijkanten van de windlade met de vleeszijde naar buiten. Let er op
dat bij het verenbalkje geen ‘deukje’ in het leer zit, hierdoor zou
later lucht kunnen ontsnappen. Eventueel onder het leer een strookje
papier aan brengen. Schroef hierna de bodem vast. Schroeven eerst
voorboren en het leer wegsnijden rond de boorgaten in de afdichtingrand.
Het is wel handig als je het accessoire voor het plaatsen van de
klepveren aan de binnenkant van de bodem bevestigt voordat je de
kleppenkast dicht schroeft, dan heb je dat in noodgevallen altijd bij de
hand.
V. De balg
De balg in figuur 3 heeft meerdere vouwen zoals bij
een accordeon, maar om de bouw van het portatief eenvoudig te houden
heeft onze balg maar één vouw. De nadelen van een enkele vouw zijn
beperkt. De balg heeft wat minder volume en de winddruk heeft -bij een
constante druk op de balg- een minder gunstig verloop. Maar dat kan je
bij het bespelen van het portatief gemakkelijk compenseren zodat je er
weinig hinder van ondervindt.
Tijdens het spelen op een portatief moet je
‘ademhalen’. Voor het portatief betekent dat: de balg open trekken. Om
een niet al te groot gat in de muziek te laten vallen moet dit vrij snel
kunnen gebeuren. Vandaar de grote hoeveelheid wind inlaatgaten in de
achterzijde van de balg, de wind kan hierdoor snel naar binnen en dan
kost het ook weinig moeite om de balg te openen. Deze gaten worden
prompt weer afgesloten door leren flappen, de keerkleppen, als men stopt
met het openen van de balg. Het eigen gewicht van het balgdeksel is al
voldoende om het leer de gaten te laten afsluiten.
De balg bestaat uit drie delen, in tekening 8
genummerd 1, 2, 3. De buitenmaat van alle delen is 425x450 mm. De maat
is 5 mm smaller dan de windlade zodat de balg later goed tussen de
kastzijkanten past. De delen 1 en 3 kunnen bijvoorbeeld van
plaatmateriaal zijn, 15 mm dik. Deel 2 is een raamwerkje van latjes
25x15 mm. Maak het raamwerkje met halfhoutsverbindingen op de hoeken.
Neem voor de achterste plaat, deel 3, bijvoorkeur een decoratieve
houtsoort. Je mag dit deel ook rondom 1,5 mm groter nemen (428x453)
zodat de plaat straks het leer op de zijkanten van deel 2 afgedekt.
Gebruik je hiervoor plaatmateriaal, fineer dan de kopse kanten. Rond
alle hoeken af en maak ronde zijkanten aan de delen 1 en 2. Trek op deel
1 aan de kant met afgeronde zijden een lijn op 50 mm parallel aan een
zijkant van 425 mm. Dit is nu de onderkant van de balg en op deze lijn
worden straks de winddoorvoer gaten naar de lade geboord. Schroef dit
deel tegen de lade. Trek daarvoor eerst een hulplijn op ongeveer 50 mm
boven de eerste lijn en geef hierop 4 of 5 schroefgaten aan. Klem nu het
deel tegen de achterkant van de lade. De onderkant gelijk houden, de
zijkanten springen iets in. De schroeven voorboren en matig vastzetten.
Open de onderzijde van de lade. Geef op de binnenzijde van de achterkant
4 of 5 schroefgaten aan, ongeveer 15 mm van de rand. De schroeven
voorboren en matig vastzetten. Het voorboren mag eventueel ook vanaf de
balgkant gebeuren. Boor nu vanaf de balgkant 7 gaten van 20 mm tot in de
lade, zie tekening 8. Klem eerst een stukje afvalhout in de lade om
splinteren te voorkomen. Neem balgdeel 1 weer los en plak op de lade een
ruime strook leer, ongeveer 120x400 mm, over alle gaten, ook de
schroefgaten. Vleeszijde naar buiten. Snijdt het leer weg uit de
windgaten en rond de schroefgaten.
Balgvouwen
Snijdt uit karton of dun vliegtuig triplex de
verstevigingen voor de balgvouwen volgens tekening 9, 2 stuks voor de
middenvouw en 4 stuks voor de zijvouwen. Een aantal kanten van deze
stukken moet over een breedte van ongeveer 1 cm worden afgeschuind. Voor
de middenvouw aan de zijden met de lengte 390 mm. Markeer deze kant als
buitenkant. Dan de stukken omdraaien en de kant met lengte 130 mm
afschuinen. Leg nu de zijvouwen met de zijden van 250 mm twee-aan-twee
tegen elkaar en markeer de buiten- en binnenkant. Aan de buitenkanten de
zijden met de lengte 370 mm afschuinen. Aan de binnenkant de zijden met
lengte 250 mm afschuinen. Na het afschuinen alle scherpe kanten afronden
met schuurpapier.
Snijdt nu uit dun balgleer de leeruitslagen volgens
tekening 9. Voor de middenvouw 1 stuks en voor de zijvouwen 2 stuks in
spiegelbeeld. Dit gaat gemakkelijk als je eerst een papieren malletje
maakt met behulp van de al gemaakte vouwverstevigingen. Snijdt ook de
twee zwikkels uit het leer. Maak ook hiervoor een malletje van papier.
Als alle leerdelen uitgesneden zijn, schuin dan alle randen aan de
vleeszijde af over een breedte van ongeveer 1,5 cm, zodat de pluizige
laag verdwijnt. Gebruik hiervoor een brede platte beitel ‘op zijn kop’
en snijdt van je af.
Zet alvast een strijkbout aan op de laagste
temperatuur. Breng dun lijm aan op de buitenkanten van de
verstevigingstukken. Leg de stukken met de lijmkant op de vleeszijde van
de leeruitslagen zoals aangegeven in tekening 9. Draai het leer met de
verstevigingstukken om en zorg dat ze niet verschuiven. Strijk nu met de
strijkbout het leer glad tegen de verstevigingstukken en laat het verder
drogen. Vouw de volgende dag de delen dubbel en plak een strook linnen
40 mm breed over de middennaden.
Balg lijmen
Bevestig het raamwerkje -deel 2- en deel 1 van de
balg aan de bovenkant met twee stevige scharnieren 80x20 mm aan elkaar.
De afgeronde zijkanten van de balgdelen komen naar elkaar toe. De
scharnieren niet uit laten steken. Hiervoor kan je geen pianoscharnier
gebruiken, die geeft te weinig ruimte tussen de delen. Open de balgdelen
en sla aan de binnenkant twee dunne hulpspijkertjes langs de onderkanten
en de zijkanten op ongeveer 3 mm van de afgeronde rand. De spijkertjes
staan ca. 30 cm uit elkaar. Laat ze ongeveer 1 cm boven het hout
uitsteken en knip de kop af.
Lijm nu de balgvouwen tussen de balgdelen 1 en 2.
Begin met de middenvouw. Zet de balgdelen vast in geopende stand onder
een hoek van ca. 30º
met een paar tijdelijke latjes tegen de zijkanten. Spijkertjes niet
helemaal inslaan! Breng lijm aan op de leerrand van de vouw en op de
afgeronde houtrand. Leg de leerrand over de hulpspijkertjes met het
verstevigingstuk er strak tegen aan. Op beide hoeken steekt het balgdeel
ongeveer 2 cm uit. Druk nu de spijkertjes door het leer en laat het
verstevigingstuk langs de spijkertjes tot tegen het hout zakken. Strijk
de leerrand tegen het hout vast. Ga er een keer met de lauwe strijkbout
overheen voor een glad resultaat. Draai de balg om en doe hetzelfde met
de andere kant van de middenvouw. Als dit geheel droog is de hulplatjes
van de zijkanten halen en nu op de onderkant aanbrengen. (De
spijkergaatjes komen wel in het net aangebrachte leer, maar die kan je
later weer gemakkelijk dicht wrijven.) Lijm op dezelfde werkwijze als
bij de middenvouw de vouwen tussen de zijkanten. Bij de scherpe punt van
het verstevigingstuk aan de onderkant steekt het balgdeel ongeveer 2 cm
uit. De uitstekende leerpunt aan de bovenkant lijm je om de hoek naar
het scharnier toe. Goed laten drogen en daarna alle hulpspijkertjes
verwijderen.
Lijm nu aan de binnenkant van de naden stroken linnen
van ca. 4 cm breed, zie lijmvoorbeeld in tekening 9. Als dit droog is
kan je de zwikkels op de hoeken lijmen. Zet voor het lijmen een
hulplijntje op het leer van de balgvouwen op ongeveer 1,5 cm van de
rand. Ruw vanaf hier het leer op met schuurpapier voordat je de lijm
aanbrengt. Breng dan een lijmrand aan langs de randen van de zwikkel aan
de vleeszijde, ongeveer 1,5 cm breed. Vouw de zwikkel in de lengte
dubbel en lijm de zwikkel vast vanuit het midden van de vouwen.
Verwijder de hulplatjes. Druk de balg dicht en lijm op de bovenkant van
de balg een strook leer, ongeveer 4 cm breed, over de scharnieren en de
leerpunt van de zijkanten tot net iets voor de hoeken. Snijdt na het
drogen het eventueel nog uitstekende leer langs de buitenkant van de
balgdelen weg.
Balgdeksel
Breng op het raamwerkje van de balg aan de buitenkant
stroken leer aan, 25 mm breed, vleeszijde naar buiten. Schroef hierop
deel 3 van de balg, langs elke kant 5 à 6 schroeven. Eerst voorboren en
op het raamwerkje het leer rond de boorgaten wegsnijden. Gebruik voor
een net resultaat bol-verzonken schroeven met een conus ringetje.
Markeer de buiten- en binnenkant en onderkant van de plaat. Haal deel 3
weer los voor de volgende bewerking. Boor in de buitenkant in twee
groepen een flink aantal gaten van 18 mm voor de windinlaat. Je kunt het
patroon van tekening 8 volgen of naar eigen inzicht een sierpatroon
boren. Snijdt twee stroken leer die de gaten ruim bedekken, ongeveer
32x15 cm. Knip stroken uit stevig tekenpapier, 2 stuks van 32x10 cm en 2
stuks van 32x5 cm. Leg het leer en het papier over de gaten volgens
tekening 8. Eerst de strook leer met de vleeszijde naar het hout, dan
een strook papier van 10 cm en tenslotte een strook papier van 5 cm. Aan
de bovenkanten liggen ze gelijk. Schroef er aan de bovenkant een latje
over heen van 320x20x15 mm (lxbxh). Schroeven niet te vast aandraaien,
anders gaat het papier omhoog wippen. Rond de vrije hoeken van het leer
af. Lijm daarna over de latjes ruime stroken linnen, ca. 4 cm breed, tot
op de onderkant van het balgdeel zoals aangegeven in tekening 8. Deze
stroken voorkomen dat de keerkleppen te ver naar buiten kunnen slaan.
Keer de plaat om en schroef of lijm aan de
rechterkant even boven de onderkant een handvat om de balg te bedienen.
Ik gebruikte hiervoor een versleten staalborstel die ik eerst van alle
haren had ontdaan, maar je kunt er natuurlijk ook iets moois van maken.
Schroef het balgdeel weer op het raamwerkje en test de balg. Plak voor
het testen de gaten voor de windlade dicht met de balg in geopende
stand. Als de balg luchtdicht is, kan je hem nu niet indrukken. Kijk ook
even waar de naden bol gaan staan, zijn ze allemaal goed vastgeplakt?
Zakt de balg wel in elkaar, zoek dan naar de lekken. Dat gaat
gemakkelijk door wat zeepsop over verdachte plekken ze smeren. Er
ontstaan dan belletjes.
Schroef nu de balg tegen de windlade, één rij
schroeven vanuit de balg en de andere rij vanuit de windlade. Schroef
ook de bodem weer onder de windlade. Je kunt nu het hele orgeltje
testen. Trek de balg open en oefen lichte druk uit op het balghandvat.
Is er veel windverlies als je nog geen toets hebt ingedrukt? Zoek dan
naar lekkage. Luister alle naden af met een stethoscoop (een dun
slangetje) of smeer ze in met zeepsop. Luister ook aan alle
pijpvoetgaten. Sluiten alle speelkleppen goed? Bespeel de toetsen en
controleer de werking van de speelkleppen met een orgelpijpje op het
betreffende pijpvoetgat. Voor eventuele herstelwerkzaamheden kan je nu
nog gemakkelijk bij de onderkant van de lade.
VI. De kast
Voor de kast, tekening 10, gebruiken we een kleurrijk
stukje hout. De voorkant is een simpel plankje van 430x155x12 mm. De
onderkant van dit plankje komt straks gelijk met de onderkant van de
lade. Geef het bovenste randje een pronkprofiel naar eigen smaak. De
zijkanten van de kast is iets meer werk, ze hebben een soort ‘h’ vorm.
De steel van de h staat bij de pijpen, links 950x145x20 mm, rechts
570x145x20 mm. Het lage deel van de h komt bij het klavier, aan beide
kanten 200x175x20 mm. De totale breedte van de h aan de onderkant is 320
mm. Je kunt beide h’s uit één stuk hout zagen, maar het is praktischer
om de vier genoemde delen apart af te zagen. De klavierdelen -onderkant
h- kan je daarna tegen de pijpdelen -steel van de h- aan lijmen. Het
staat wel elegant als je de zijkanten voorziet van een profiel. Wacht
dan nog even met het lijmen en breng eerst op alle staande zijden het
profiel aan. Een eenvoudig profiel maak je door alle zijden een
sponninkje van 3x3 mm te geven (zaagdikte). Doe dit ook aan de bovenkant
van de delen die naast het klavier komen. Maak aan de achterkant van
deze delen een ‘contra’ profiel. Voor het sponningprofiel is dat een
gleuf waarbij er aan beide kanten een randje hout blijft staan van 3x3
mm. Dit past over het profiel van de pijpdelen zodat je het er eenvoudig
tegenaan kan lijmen, zie tekening 10. Zaag in dat geval de klavierdelen
wel 3 mm breder (200x178x20 mm) af. Maak als de delen aan elkaar gelijmd
zijn in de onderkant van de h een uitsparing, 230x12 mm, zodat er
pootjes ontstaan. Maak alvast gaten voor deuvels tussen de voorkant en
de zijkanten van de kastdelen.
Pijpenhanger
Maak nu de pijpenhanger van het plankje hout van dat
we eerder gemaakt hebben bij de opstelling van de pijpen op de
pijpenstok. Boor hierin gaten die een paar millimeter (2x viltdikte)
groter zijn dan de diameter van de pijp in kwestie. Als centerpunt neem
je het 2 mm gaatje. Heb je een juiste boordiameter niet bij de hand,
neem dan de eerstvolgende maat, bijvoorbeeld voor 17 mm mag je 18 mm
boren. De grote gaten kan je met een slingerboor of gatenzaag maken.* Is
dit klaar, trek dan een lijn in het midden in de lengte van het plankje
en zet naast deze lijn aan beide kanten een lijn op 2 cm. Zaag langs
deze lijnen het plankje door en je hebt je pijpenhanger, zie tekening 2.
Plak stroken vilt met de breedte van de plankdikte aan beide kanten in
de pijpuitsparingen. Sla nu bij elke uitsparing een stift voor de
V-hanger van de pijp in het plankje bij het midden van elke uitsparing.
Eerst krap voorboren en daarna met een malletje inslaan. Bij de grootste
pijpen kunnen de V-hangers elkaar een beetje in de weg zitten, plaats
dan de stift van de achterste pijp iets uit het midden. Meet eerst de
diepte op van de V-hanger van de betreffende pijp, die is voor elke pijp
anders! De stiften mogen wel ongeveer 4 cm boven het plankje uitsteken.
Maak de stiften uit bijvoorbeeld RVS- of messingstaf met een dikte van 2
mm. Knip dat op lengte, slijp aan één kant een scherpe punt en rond de
andere kant af.
*Heb je pijpen zonder V-hanger, maak van het plankje
dan een pijpenrooster. Plaats dit rooster niet bij de voet van de
pijpen, dat is niet stabiel genoeg voor de grote pijpen, maar rond het
corpus op de aangegeven hoogte (27 cm). Trek voor het boren eerst een
lijn door het hart van de pijpen, zowel voor de voorste als de achterste
rij. Boor nu de gaten zoals hierboven aangegeven. Maak de voor- en
achterkant het plankje 10 mm smaller. Voorzie de voorkant van het
plankje van een attractief profiel. Boor nu 3 schroeven 60x4 voor in de
voor- en achterkant, dus haaks op het plankje. Plaats de schroeven
tussen de pijpgaten. Zaag het plankje daarna schuin door langs de eerder
getekende hartlijnen van de pijpen. Beplak de zaagsneden met de halve
gaten met een strookje vilt met de breedte van de plankdikte. Vilt
wegsnijden bij de schroefgaten en de delen losjes tegen elkaar
schroeven. Tussen deze delen worden later de pijpen geklemd.
Is het plankje een beetje dun uitgevallen, verstevig
het dan in het midden aan de onderkant met een balkje. Bereid alvast
twee deuvelgaten voor aan beide zijkanten van het plankje (of balkje).
Klem nu de kastvoorkant met de deuvels tussen de zijkanten en schuif de
windlade met de balg ertussen op zijn plaats. Leg onder de windlade een
stukje afval hout van 15 mm dik. Zet een lijmklem op de zijkanten ter
hoogte van de windlade en kijk bij het vastdraaien meteen even of de
voorkant nog mooi aansluit op de zijkanten. Trek met een winkelhaak een
lijn vanuit het midden van de pijpenstok langs de binnenkant van de
zijkanten omhoog en zet een markering op 27 cm. Neem ook de achterkant
van de balg over op binnenkant van de zijkanten en markeer de bovenkant
van de balg.
Kastafwerking
Haal de kast weer uit elkaar en neem de plaats van de
deuvelgaten in de pijpenhanger over op de zijkanten. De bovenkant van de
pijpenhanger komt op 27 cm, het midden op de middenstreep van de
pijpenstok. Mocht je behoefte hebben om de kastzijkanten te verfraaien
met een gatenpatroontje, dan kan je dat nu nog doen. Lijm daarna precies
voor de markeringen van de achterkant van de balg op beide zijkanten een
stukje hout 30x15x15 mm, even onder de balgbovenkant. Boor hierin eerst
een schroefgat. Lijm nu de kast in elkaar met de voorkant en de
pijpenhanger met hun deuvels tussen de zijkanten en lijm dit geheel
tegelijk tegen de windlade. Leg voor het gemak het stukje afvalhout weer
onder de lade. Zet een paar lijmklemmen over de zijkanten ter hoogte van
de windlade en één ter hoogte van de pijpenhanger. Het is praktisch als
je tijdens het lijmen de balg even verwijdert zodat je ook lijmklemmen
kan plaatsen van de voorkant naar de achterkant van de windlade.
Schroef de volgende dag de balg weer op zijn plaats
en schroef hem ook vast aan de aangebrachte steuntjes bij de bovenkant.
Verfraai de bovenkant van de kastzijkanten De kroonlijst op tekening 10
bestaat uit een balkje met sponninkjes op verschillende dieptes. De
pinakels zijn houten knopjes die ooit een keukenlaatje sierden. Verf of
lak de kast naar eigen voldoening, maar een mooi stukje hout doe je ook
plezier met gewoon gekookte lijnolie. Wrijf dat stevig in het hout en
poets het na het drogen flink uit.
Je kunt nu de pijpen plaatsen en het hele orgel
testen. Wacht nog even met stemmen tot alles goed functioneert want
wellicht moeten alle pijpen er nog een keer af om een onwillige
speelklep tot de orde te roepen. Plaats op de zijkanten handvaten naar
eigen smaak. Bevestig ze wel in het ‘zwaartepunt’ van het orgel zodat
het instrument bij het dragen niet gaat zwaaien. Het zwaartepunt zoek je
eenvoudig op door de kast even op en bezemsteel te zetten en de plaats
te markeren waar het orgeltje in evenwicht is.
Bedien de balg bij het spelen heel
rustig en trek deze weer open bij een muzikale komma, ook al is de balg
nog niet leeg, immers het kan zijn dat de volgende komma ‘te laat’ komt.
In principe speel je monofone muziek op het portatief, maar het kan ook
voorkomen dat je met de duim een basnoot laat liggen en met de overige
vier vingers de melodie speelt. Je krijgt dan een beetje een doedelzak
effect. Het instrument komt het beste tot zijn recht als je in een
groepje samenspeelt, bijvoorbeeld met blokfluit, cello en slagwerk. Veel
plezier met het portatief. |
| |
|
Bronnen
Het orgel in Nederland, M. Hoving, Albert de Lange
NV, Amsterdam 1966
Het Orgel, Friedrich Jakob, Helmond, Helmond 1977
2ft Portatief Organ Construction
Manual, Renaissance Workshop Company Ltd, Bradford, UK
Orgelbouwkunde, Oosterhof en Bouman, Spruyt e.a.,
Leiden 1956
The Art of Organ Building, G.A.
Audsley, Dover Publications Inc, New York 1965
De Bouwbrief, diverse nummers, orgaan van de
werkgroep Bouwerskontakt, Huismuziek, Utrecht |
| |
|
Hieronder vindt u alle tekeningen,
welke vanuit de tekst aanklikbaar zijn.
Klik op de tekening voor een grotere weergave. |
| |
 |
| Tekening 1
(terug naar tekst) |
| |
 |
| Tekening 2
(terug naar tekst) |
| |
 |
| Tekening 3
(terug naar tekst) |
| |
 |
| Tekening 4
(terug naar tekst) |
| |
 |
| Tekening 5
(terug naar tekst) |
| |
 |
| Tekening 6
(terug naar tekst) |
| |
 |
| Tekening 7
(terug naar tekst) |
| |
 |
| Tekening 8
(terug naar tekst) |
| |
 |
| Tekening 9
(terug naar tekst) |
| |
 |
| Tekening 10
(terug naar tekst) |
| |
| |
| |
|