



























|
|
| |
 |
|
|
|
Gehoor en Mensuren |
|
|
|
Het menselijk oor is een gevoelig instrument met een
verfijnd analyse systeem. Ruim genomen is een jong menselijk oor
gevoelig voor frequenties tussen 20 en 20.000 Hz.De bovenste gehoorgrens
daalt met het klimmen der jaren; op 40-jarige leeftijd ligt deze op
16.000 Hz om daarna vrij snel te dalen naar 8000 Hz. Het menselijk oor
heeft niet dezelfde gevoeligheid voor elke frequentie maar heeft een
zeer kromme frequentie karakteristiek (*1). Het gehoor is het
meest gevoelig voor geluiden met frequenties van 2 tot 4 kilohertz (kHz)
en
het minst gevoelig voor extreem lage en extreem hoge
frequenties. Om het nog wat ingewikkelder te maken is dit verschijnsel
sterker bij zachte geluiden en minder sterk bij harde geluiden.
Van een geluid wordt de luidheid meestal aangeduid in de logaritmische
eenheid decibel (dB). Tonen met een gelijk aantal dB's, maar
met een verschillende frequentie worden door ons gehoor dus niet als
even luid waargenomen. Dat kan men ook omkeren: tonen met verschillende
frequenties, die we als even luid waarnemen, moeten een verschillende
geluidssterkte hebben.
|
|
 |
|
|
|
|
|
In figuur 1 is een aantal gevoeligheidscurven
weergegeven voor geluidsterkten die in de muziek voorkomen, zoals ff, f,
enz. (Adelung (*2)). Langs de horizontale as staat de frequentie en de
daarbij de ongeveer overeenkomende C-waarde. Langs de verticale as staat
de geluidssterkte in dB. Bekijken we hierin de curve voor tonen die we
op mf-sterkte als even luid waarnemen, dan zien we dat de luidsterkte
van bijvoorbeeld een orgelpijp C0 (8 vt) 10 dB luider moet
zijn als de orgelpijp c3 van hetzelfde register om voor ons
gehoor als even luid te worden waargenomen (de inbreng van boventonen
buiten beschouwing gelaten).
Verantwoordelijk voor de luidheid van een pijp is de diametermensuur.
Het verschil van 10 dB tussen C0 en c3 moet dus in
de diametermensuur gecompenseerd worden. Met deze kennis gewapend
bekijken we de mensuur van orgelpijpen.
Mensuur
Alle
klankbepalende parameters van orgelpijpen, zoals de lengte, diameter,
labiumbreedte en opsneehoogte van een pijp, worden in de Mensuur
(lat. mensura, maatrij) vastgelegd. Misschien zou je moeten spreken van
mensuurverloop omdat de mensuur juist aangeeft hoe de soortgelijke
parameters van de verschillende orgelpijpen uit één register veranderen
bij afnemende of toenemende toonhoogte. Dat parameters als diameter,
labiumbreedte en opsneehoogte veranderen bij verschillende toonhoogten
is noodzakelijk voor het gelijkmaken van het klankbeeld van de
verschillende orgelpijpen binnen een register. Dat is geen eenvoudige
zaak, want er zijn heel wat factoren die het klankbeeld van een
orgelpijp voor ons gehoor beïnvloeden. Behalve de gevoeligheidskromme
van ons gehoor is dat bijvoorbeeld ook de ruimte waarin het orgel staat.
Is deze gunstig voor hoge tonen, dan zullen deze luider worden
waargenomen. Of begunstigd bijvoorbeeld een kerkruimte de lage tonen,
dan worden deze juist luider waargenomen. De mensuur van de pijpen moet
er nu voor zorgen dat er toch een evenwichtig klankbeeld van het hele
register wordt waargenomen.
Diametermensuur
De
belangrijkste mensuur bij het maken van een pijp is de diametermensuur
en daarom vaak afgekort tot alleen: de mensuur. De diametermensuur is de
verhouding tussen de diameter en de lengte van een pijp, deze is
bepalend voor het klankvolume (draagkracht en luidheid) van de pijp.
Naarmate de diameter -bij gelijkblijvende pijplengte- groter wordt,
treedt de grondtoon sterker naar voren ten koste van de boventonen en
wordt de klank voller. Zo'n pijp heeft dan 'een wijde mensuur'.
Voorbeelden van registers met een wijde mensuur zijn: Bourdon, Holpijp,
Fluit-registers.
Wordt
de diametermensuur kleiner dan treden de boventonen meer naar voren en
krijgt men een zwakke, heldere tot scherpe klank. We spreken dan van een
'enge mensuur'. Voorbeelden van registers met een enge mensuur
zijn: Salicionaal, Gamba, Voix Celeste.
Labiummensuur
De
labiummensuur is de verhouding tussen de labiumbreedte en de omtrek of
ook wel de diameter van de pijp. De labiumbreedte beweegt zich om een
gemiddelde van 1/4 van de omtrek of 78% van de diameter. Wordt het
labium breder bij gelijkblijvende diameter van de pijp, dan wordt de
klank krachtig en boventoonrijk. Bij een smaller labium wordt de klank
zwak en fluitachtig. Bij vierkante (houten-) pijpen wordt deze mensuur
gegeven door verhouding van de breedte en de diepte van de pijp.
De overige klankbepalende mensuren van de pijp zoals de opsneehoogte,
kernspleetwijdte en voetopening zijn -hoewel eveneens van grote invloed
op de klank- minder van belang bij het maken van een pijp en kunnen bij
intonatie nog nader worden bepaald.
Ontstaan van de Mensuur
In de middeleeuwen maakte men zich nog niet druk over de mensuur van
orgelpijpen. Een orgel had toen niet meer dan één register met maar
weinig pijpen die allemaal de dezelfde diameter kregen. Als de omvang
niet groter was dan twee octaven is dit voor het gehoor nog acceptabel.
De doorsnede van een duivenei nam men als maat, ongeveer 24 tot 30
millimeter. De enige maat die veranderde was de lengte van de pijp. Dit
geeft een starre diametermensuur met de mensuurverhouding 1:1 (zie fig.
2). Als gevolg van de volledig gelijke diameters waren de pijpen in
verhouding tot hun lengte in de bas zeer eng gemensureerd en naar de
diskant toe steeds wijder, hetgeen leidde tot een zeer verschillend
klankbeeld van de verschillende tonen. De bastonen klonken zwak en
helder en de diskanttonen luid en vol. Bij het uitbreiden van het
register tot meer dan twee octaven moest deze manier van mensureren
verlaten worden omdat de pijpen in de bas te eng werden en de pijpen in
de diskant veel te wijd. Dat klankbeeld was niet meer acceptabel voor
onze oren. Het bracht de vroege orgelbouwers er toe om de baspijpen
wijder en de diskantpijpen enger te mensureren. |
|
Het
lag voor de hand een goede mensuurverhouding te zoeken die het
verband vastlegde tussen de pijpdiameter en de pijplengte en die
voor het gehoor een homogeen klankbeeld gaf. Omdat de
lengtemensuur van pijpen die een octaaf verschillen een verhouding heeft
van 1:2, kreeg de diameter ook die verhouding. Aanvankelijk werd
in de middeleeuwen voor de diameter 1/12de van de lengte van
een pijp genomen. Bij deze manier van mensureren is het
verhoudingsgetal van de diameter en de lengte van de pijp voor alle pijpen
volledig gelijk.
Dit was geen gekke gedachte, want
natuurkundig gezien zijn nu alle pijpen klankhomogeen, dat wil
zeggen: wordt van een dergelijke register pijpen het frequentiespectrum gemeten, dan heeft iedere |
 |
| pijp precies de zelfde
boventonen, gelijk in aantal en in amplitude. Toch was al gauw te horen
dat een dergelijke mensurering niet voldeed: de diskant klonk in
verhouding tot de baskant veel te zwak en te scherp. Met als extra
moeilijkheid dat de kleinste pijpjes met deze mensurering niet meer te
maken waren. Thans weten we waarom deze mensurering niet
voldeed: het verloop van de menselijke gehoorkromme komt niet
overeen met een rechte lijn. |
|
Mensuurverloop
In de middeleeuwen werd dus proefondervindelijk al vastgesteld dat bij
een mensuurverhouding van 1:1 de pijpen naar de diskant toe veel te wijd
en dus te luid waren, maar ook dat bij een diameterverhouding van de
octaafpijpen van 1:2, de pijpen in de diskant te eng en dus te zacht
waren. Een goede mensuur moest men dus tussen 1:1 en 1:2 zoeken. De
orgelbouwers uit de Baroktijd vonden daarvoor verschillende
mogelijkheden die ze als een bijzonder geheim bewaarden en die van
bepaalde getalsverhoudingen uitging. Pas aan het begin van deze eeuw
lukte het de predikant Christhard Mahrenholz (*3) om zo'n
geheim te verklaren. Hij onderzocht in het bijzonder de mensuren van
Dom Bédos de Celles (*4). Op grond van mathematisch-geometrische
berekeningen, zeg maar op grafische wijze, ontdekte hij dat men
weliswaar uitging van de verhouding 1:2, maar hierbij een constant getal
optelden. Deze constante, in het duits Festwert, werd ook wel het
arcanum (lat. geheim) van de orgelbouwer genoemd.
Voor
een goed inzicht verplaatsen we ons naar de tijd dat orgelbouwers nog
geen rekenmachine, laat staan een computer, ter beschikking hadden. Alle
maten van de orgelpijpen werden geometrisch verkregen met behulp van een
mensuurdriehoek (fig. 3).
De
basis van de driehoek is de lijn O-P, in O ligt het voetpunt van C0.
Het voetpunt van c0 ligt precies op de helft van de lijn O-P.
Het voetpunt van c1 ligt dan precies op de helft van de lijn
c0-P, enz.. Ook de voetpunten van de tonen binnen het octaaf
kunnen op geometrische wijze bepaald worden, de beschrijving daarvan
laten we hier achterwege.
De
hypotenusa van de driehoek is de lijn Q-P. Heeft de lijn O-Q de waarde
a, dan worden de ordinaten van c0, c1, c2,
c3 precies gesneden volgens de mensuurverhouding van 1:2,
zodat de ordinaat van c0 = 1/2a, c1 = 1/4a, enz..
De mensuurdriehoek wordt vaak op ware grootte getekend zodat daaruit
rechtstreeks de maten overgenomen kunnen worden. |
|
In
figuur 3 is ook een lijn voor gevoeligheid van het gehoor getekend. De
curve heeft een verval van 10 dB tussen C0 en c3
volgens de curve voor tonen op mf-sterkte. Vergelijken we deze curve met
de lijn voor het mensuurverloop van 1:2, dan zien we duidelijk waarom
deze mensuurverhouding niet voldeed: is de luidsterkte van C0
goed, dan zijn de pijpen naar de diskant toe te eng en dus voor het
gehoor te zwak. De zwakke diskant bij deze mensuur was juist ook het
probleem van de oude orgelbouwers. |
 |
| De ontdekking van Mahrenholz, onder
andere op grond van de mensuren van Dom Bédos, was dat bij de
mensuurverhouding 1:2 steeds een constante werd opgeteld, de geheime
waarde x. Als we zo'n optelling voor dit register uitvoeren en het aldus
verkregen mensuurverloop in een grafiek tekenen (fig. 4), dan zien we
dat gemiddeld de luidsterkte van het register is verbeterd. Weliswaar is
de baskant nu wat te wijd (:te luid) en de diskant nog wat te eng (:te
zwak), maar gemiddeld genomen is deze mensuurverhouding voor ons gehoor
meer klankhomogeen dan met het verloop 1:2. |
 |
|
In de
praktijk gaat de berekening als volgt: |
|
Pijp |
C0 |
c0 |
c1 |
c2 |
c3 |
|
|
|
|
diamtr. (1:2) |
160 |
80 |
40 |
20 |
10 |
mm |
|
const. |
+ 10 |
+ 10 |
+ 10 |
+ 10 |
+ 10 |
|
|
diamtr. (1:2)+X |
170 |
90 |
50 |
30 |
20 |
mm |
|
|
Bepalen we van de nieuwe diametermaten de mensuurverhoudingen dan zijn
deze niet meer 1:2, maar kleiner. |
| c0 : C0
= 90 : 170 = 1 : 1,88
c1 : c0 = 50 : 90 =
1 : 1,8
c2 : c1 = 30 : 50 =
1 : 1,66
c3 : c2 = 20 : 30 =
1 : 1,5 |
|
| Het toevoegen van een constante had dus inderdaad
als resultaat dat de mensuurverhouding tussen de 1:1 en de 1:2 kwam te
liggen. Dit gaf vele nieuwe mogelijkheden. Men kon bijvoorbeeld de
constante variabel maken door bij de baskant een andere constante
optellen als bij de diskant, of een constante aftrekken. Ook nu nog
worden vele diametermensuren volgens deze methode berekend en uit de
mensuurdriehoek geometrisch overgenomen. |
|
Normmensuur
De eerste die zich wetenschappelijk met mensuren bezig hield, was prof.
Johan Gottlob Töpfer (1791-1870). Töpfer ging bij zijn berekeningen uit
van de pijpoppervlakte, dat in tegenstelling tot de ééndimensionale
eenheden als lengte en diameter, een tweedimensionaal vlak is. Ten
opzichte van de diameter neemt de oppervlakte dan ook in het kwadraat
toe. Hij berekende een mensuur met een oppervlakte verhouding van 1:8.
Door proeven met deze mensuur te doen stelde hij vast dat nu alle pijpen
van een register hetzelfde klankbeeld gaven. |
|
De
oppervlakte mensuurverhouding van 1:8 komt overeen met een diameter
mensuurverhouding van 1:48 = 1:1,68. In figuur 5 is dit
mensuurverloop getekend samen met de gevoeligheidscurve van het gehoor
voor tonen op mf-sterkte. Het verloop van beide lijnen is praktisch
gelijk en we kunnen daaruit concluderen dat de mensuurverhouding van
Töpfer een gelukkige greep is geweest, mits het register een
middelsterke luidheid heeft. Een mensuurtabel voor een middelwijde
(:middelsterke) Prestant gaat uit van een diameter voor de C0-pijp
van 155,5 mm. Deze maat werd door de Deutschen Orgelrat in 1927
als norm vastgesteld en komt overeen met de diameter van de Prestant-C0-pijp
van |
 |
| Dom Bédos. Uitgaande van de mensuurverhouding van 1:1,68 geeft dit
ons de mensuurtabel voor de diametermensuur van de Normprestant, en
daarom aangeduid met normmensuur, NM (tabel 1). Wordt een register
pijpen volgens deze mensuur gebouwd, dan is het register klankhomogeen,
dat wil dus zeggen dat elke pijp voor ons gehoor even luid klinkt. |
|
Normmensuur en Halftonen (HT)
De afstand tussen de getallen in de tabel is een halve toon
van het octaaf en daarom aangeduid met Halftoon (HT). Door een
willekeurig ander register te vergelijken met de maten van de
normmensuur kunnen we vaststellen of de mensuur wijder of enger is dan
de Normprestant en hoeveel HT dit afwijkt.
De
pijp c1 van de Normprestant heeft een diameter van 54,9 mm.
Een register, bijvoorbeeld een Flute, waarvan de c1-pijp
een diameter heeft van 68,2 mm, heeft dus een wijdere mensuur. De
diameter 68,2 mm komt overeen met de g0-pijp van de
Normprestant (zie tabel). De diameter van de pijp g0 ligt 5
HT eerder dan c1 en daarmee hebben we de mensuur voor deze
pijp vastgelegd: de pijp is 5 HT wijder gemensureerd als de Normprestant,
afgekort +5 HT. Als de diametermensuur van dit register een zelfde
verloop heeft als de NM, dus 1:1,68, dan zijn alle pijpen van de Flute 5
HT wijder. De maten van het hele register zijn nu eenvoudig uit de
normmensuur over te nemen. |
| |
C1 |
C0 |
c0 |
c1 |
c2 |
c3 |
c4 |
c5 |
c6 |
| |
16' |
8' |
4' |
2' |
1' |
1/2' |
1/4' |
1/8' |
1/6' |
| |
| C |
261,5 |
155,5 |
92,4 |
54,9 |
32,6 |
19,3 |
11,5 |
6,8 |
4,0 |
| Cis |
250,4 |
148,9 |
88,5 |
52,6 |
31,3 |
18,6 |
11,0 |
6,5 |
3,9 |
| D |
239,8 |
142,6 |
84,7 |
50,4 |
29,9 |
17,8 |
10,5 |
6,3 |
3,7 |
| Dis |
229,6 |
136,5 |
81,1 |
48,2 |
28,7 |
16,9 |
10,1 |
6,0 |
3,6 |
| E |
219,9 |
130,7 |
77,7 |
46,2 |
27,4 |
16,3 |
9,7 |
5,7 |
3,4 |
| F |
210,6 |
125,2 |
74,4 |
44,2 |
26,3 |
15,6 |
9,3 |
5,5 |
3,3 |
| Fis |
201,6 |
119,9 |
71,3 |
42,3 |
25,2 |
14,9 |
8,8 |
5,2 |
3,1 |
| G |
193,1 |
114,8 |
68,2 |
40,5 |
24,1 |
14,3 |
8,5 |
5,0 |
3,0 |
| Gis |
184,9 |
114,8 |
65,3 |
38,8 |
23,1 |
13,7 |
8,1 |
4,8 |
2,8 |
| A |
177,1 |
105,3 |
62,6 |
37,2 |
22,1 |
13,1 |
7,8 |
4,6 |
2,7 |
| Ais |
169,5 |
100,8 |
59,9 |
35,6 |
21,1 |
12,6 |
7,4 |
4,4 |
2,6 |
| B |
162,7 |
96,5 |
57,4 |
34,1 |
20,2 |
12,0 |
7,1 |
4,2 |
2,5 |
Tabel 1. Diametermensuur van de 'Norm' Prestant in mm. (Mahrenholz)
|
|
Heeft
een register niet een mensuurverloop van 1:1,68 dan zou men de maat van
elke pijp afzonderlijk in + of - HT kunnen vaststellen door het
vergelijken met de normmensuur. In de praktijk beperkt men zich door
bijvoorbeeld alle C-pijpen te nemen. De mensuur van het register uit ons
eerdere voorbeeld ziet er dan als volgt uit: |
| Pijp |
C0 |
c0 |
c1 |
c2 |
c3 |
| |
| diam. 1:2 |
160 |
80 |
40 |
20 |
10 |
mm |
| HT afwijking |
+0,5 |
-3 |
-7 |
-11 |
-15 |
HT |
| diam. (1:2)+x |
170 |
90 |
50 |
30 |
20 |
mm |
| HT afwijking |
+2 |
-0,5 |
-2 |
-2 |
+1 |
HT |
|
|
De
notatie in HT geeft direct inzicht in het mensuurverloop van het
register en daarmee ook in het klankkarakter. Bij het gegeven voorbeeld
kunnen we uit de HT-aanduiding opmaken dat het register volgens de
mensuurverhouding 1:2 in de diskant veel te zwak is. Door toevoegen van
de constante wordt het register meer klankhomogeen.
De
volgende lijst met diametermaten van hoofdwerk Prestanten 8vt kan in dit
verband als stof voor enige studie dienen (tabel 2a). |
| Pijp |
C0 |
c0 |
c1 |
c2 |
c3 |
| A. Schnitger 1687/96 |
144 |
93 |
48 |
28 |
17 |
mm |
| J.A. Silbermann 1750 |
157 |
97 |
55 |
36 |
22 |
mm |
| F. Dom Bédos 1766 |
156 |
84 |
48 |
30 |
21 |
mm |
| A. Cavaillé-Coll 1860/80 |
144 |
95 |
55 |
32 |
19 |
mm |
| Holland* |
144 |
85 |
48 |
28 |
16 |
mm |
Tabel 2a. Diametermaten van Prestant registers van bekende orgelbouwers.
Bron: Bormann/Bruder (*5)
|
|
*Gemiddelde van 305 metingen (Oosterhof-Bouman).
De millimeter maten in tabel 2a geven de geoefende orgelbouwer inzicht in de
mensurering van de betreffende orgelbouwers. Als we dezelfde tabel opstellen in
HT, dan geeft dit ook zonder oefening inzicht in het gebruikte mensuurverloop.
Stellen we daarbij ter vergelijking de diametermensuur van c1 op 0 HT,
dan geeft dit tabel 2b. |
| Pijp |
C0 |
c0 |
c1 |
c2 |
c3 |
| A. Schnitger 1687/96 |
+1 |
+3 |
0 |
-1 |
0 |
HT |
| J.A. Silbermann 1750 |
0 |
+1 |
0 |
+2 |
+3 |
HT |
| F. Dom Bédos 1766 |
+3 |
+1 |
0 |
+1 |
+5 |
HT |
| A. Cavaillé-Coll 1860/80 |
-2 |
+1 |
0 |
0 |
0 |
HT |
| Holland |
+1 |
0 |
0 |
-1 |
-1 |
HT |
|
|
Tabel 2b. De millimetermaten van tabel 2a uitgedrukt in HT, waarbij c1
op 0 HT is gesteld. |
|
Tabel 2b laat in één oog opslag zien dat Prestant van Silbermann in de
diskant wijd gemensureerd is en daar dus luider zal klinken. Dom Bédos neemt
zijn Prestant in het hoogste octaaf nog wijder en heeft daarbij ook nog een
stevige bas.
De overige mensuren wijken weinig af van de normmensuur. Bormann geeft in
zijn boek over Bruder nog een aantal voorbeelden die zich eveneens rond de
normmensuur bewegen, een indirect bewijs voor de geldigheid van de laatste.
Overigens zullen geleidelijke HT-schommelingen tot 4 HT (= ± 1,5 db) nauwelijks
de luidheid beïnvloeden. Ze zullen echter wel bijdragen in de
klankkleur-verandering van een register.
De orgelbouwer Klotz
(*6)
neemt de normmensuur als uitgangspunt, het is de 0-lijn waartegen hij alle
afwijkingen in HT-waarden uitzet. "Die sichtbare Aufzeichnung .... im
Vergleich mit .... den Normprinzipal auf solchen Mensurdiagramm gibt den besten
Aufschluss über die Mensurgestaltung einer Pfeifenreihe." Vrij vertaald:
'Vergelijken met de normmensuur geeft het beste inzicht in de mensuur van een
register'. Passen we dit toe bij een paar voorbeelden uit de getallen van tabel
2b dan krijgen we een grafiek volgens figuur 6. |
| In deze grafiek zijn grafisch de hoogtepunten (+
HT) of dieptepunten (- HT) van een register zichtbaar. Hierdoor is
duidelijk te zien dat de Hollandsche orgelbouwers zich goed hielden aan
de normmensuur en dus onze gehoorkromme volgden. Dom Bedos wijkt daar
ruim vanaf. Het aanbrengen van hoogtepunten of dieptepunten is
afhankelijk van de smaak van de orgelbouwer, maar ook in hoe verre de
akoestische eigenschappen van de ruimte in de mensuur verwerkt zijn.
Begunstigt een kerkruimte bijvoorbeeld de lage tonen, dan moet de
orgelbouwer voor de baskant engere mensuren (-HT) kiezen. Is daarentegen
de ruimte gunstig voor hoge tonen, dan moet de diskant enger
gemensureerd zijn. Het door Klotz voorgestelde grafische HT-diagram
maakt dergelijke aanpassingen inzichtelijk. |
 |
|
Zin
en onzin van NM en HT
Met behulp van de normmensuur en de afwijking in halftonen kan men de
maten van een register vastleggen. Bormann (*7) gebruikt deze methode
bijvoorbeeld voor het aangeven van de registers bij een huisorgel. De
opgegeven afwijkingen schommelen daarbij van -19 HT tot +6 HT. Zijn de
afwijking van bijvoorbeeld alle c-pijpen gegeven, dan geeft dit een
indruk van het klankbeeld van dat register. Neemt bijvoorbeeld de
afwijking in de diskant in HT toe, dan zal zo'n register in de diskant
sterker klinken waardoor de 'sopraanpartij' altijd benadrukt wordt.
Is de
HT-afwijking voor alle c-pijpen gelijk, dan is het niet nodig de maten
voor elke pijp afzonderlijk uit te rekenen en kan men de maten voor alle
pijpen van het register direct uit de normmensuurtabel overnemen. Is de
afwijking bijvoorbeeld -10 HT, dan heeft de C0-pijp de
diameter van Ais0 = 100,8 mm, Cis0 wordt dan B0
= 96,5 mm, enz.. De labiumbreedte is bij de normmensuur steeds 1/4 van
de omtrek.
Is de
HT-afwijking voor de c-pijpen verschillend, dan is het niet mogelijk om
de maten van de overige pijpen direct uit de normmensuurtabel over te
nemen. Immers, is bijvoorbeeld gegeven: c0 +1Ht en c1
-1HT, dan geeft de normmensuurtabel 13 maten voor de 11 tussenliggende
tonen, waarmee de tabel onbruikbaar is geworden. In zo'n geval kan men
alleen de maten van de gegeven pijpen uit de normmensuurtabel overnemen.
Deze maten worden dan uitgezet op de bijbehorende ordinaten in de
mensuurdriehoek. Zijn de gegeven punten met een lijn verbonden, dan is
het snijpunt van deze lijn met de andere ordinaten de maat voor de
overige pijpen van het register. Het verdient de voorkeur om de
mensuurdriehoek in schaal 1:1 te tekenen, zodat alle waarden,
bijvoorbeeld met behulp van een passer, direct van de ordinaten
overgenomen kunnen worden. Uiteraard kan men ook gebruikmaken van een
rekenmachine, c.q. computer. |
|
Verwijzingen vanuit het artikel:
*1
Bouwbrief 54, 1989, Computergebruik en orgelpijpmensuren.
*2
Adelung, Wolfgang, Einführung in den Orgelbau, 4de druk 1979
*3
Mahrenholz, Christhard, Die Berechnung der Orgelpfeifenmensuren vom
Mittelalter bis zur Mitte des
19. Jahrhunderts, 1938. (herdruk 1968)
*4
Bédos de Celles, Dom, L'art du facteur d'orgues 1766-78, (herdruk 1963).
*5
Bormann, Karl, Orgel- und Spieluhrenbau, 1968
*6
Klotz, Hans, Das Buch von der Orgel, 7de druk 1965
*7
Bormann, Karl, Heimorgelbau, 1972 |
|
|
|
|
|
|
|