
































|
|
|
Berekeningen en Voorbeelden
van de
Toetstractuur
voor
Huisorgels |
|
|
Inleiding
De speelaard van een
(huis-)orgel wordt bepaald door alle onderdelen die in beweging worden
gezet bij het indrukken van de toets en het opengaan van de speelklep
zodat de orgelwind een pijp kan laten klinken. Allereerst is dat de
toets zelf, dan de tractuur tussen de toets en de speelklep en tenslotte
de speelklep.
Al die bewegende onderdelen bij elkaar geven een orgel
zijn specifieke speelaard. De speelaard van een orgel kan men
beïnvloeden bij het ontwerp van het orgel. Voor bijvoorbeeld een
klavecimbel- of pianoaanslag gebruikt men bijvoorkeur een balansklavier.
Voor het echte ‘orgelgevoel’ is een staartklavier meer geëigend. Beide
systemen komen in dit excerpt aan de orde.
Hoe was het ook al weer…
Alle berekeningen aan
de tractuur van een orgel zijn te herleiden tot de werking van een
hefboom. Voor de hefboom geldt de volgende regel: |
|
(*1) kracht x krachtarm = last x lastarm
In figuur 1 is deze regel
praktisch weergegeven. Hierbij is de berekening als volgt:
K x l1
= L x l2
Werken we deze formule uit in
een getallen voorbeeld, waarbij K = gevraagd, L = 10 kg, l1 =
2 m, l2 = 1 m, dan is de berekening met formule 1 als volgt: |
 |
|
|
K x 2 = 10 x 1
K = (10 x 1): 2
K = 5 kgf |
Figuur 1 Werking van de hefboom |
|
Of in woorden: met een
hefboom waarbij de krachtarm en de lastarm zich verhouden als 2 : 1 kun
je met een kracht van 5 kgf een gewicht van 10 kg optillen. Dat is
handig. En door het veranderen van de verhouding ‘krachtarm : lastarm’
kan je zelfs met minder inspanning een groter gewicht optillen.
Een andere veel
voorkomende vorm van de hefboom is de wip (figuur 2). Ook hierbij geldt
K x l1 = L x l2 . Voorbeeld: als gegeven is dat K
= 100 kg, L = 25 kg, l1 + l2 = 5 m,
wat is dan de lengte van l1 en l2 in geval van
evenwicht? De berekening is als volgt: |
|
|
K x l1
= L x l2
100 x l1
= 25 x l2
100l1
= 25l2 à l1 = 0,25l2
l1 + l2
= 5, substitutie van l1 ->
0,25l2 + l2
= 5 -> l2 = (5 : 1,25) = 4 m
l1 = (5 –
4) = 1 m |

Figuur 2
Hefboomwerking
bij een wip |
|
In de praktijk komt dit
voorbeeld wel voor in de speeltuin: een kind van 25 kg kan een
volwassene van 100 kg opwippen mits beide op de juiste afstand van het
draaipunt van de wip gaan zitten.
Tractuurberekeningen
Bij de
berekeningen in de volgende voorbeelden verwaarlozen we de
wrijvingskrachten en het gewicht van de trekdraden en dergelijke. Ook
gaan we er van uit dat de gebruikte klepveren een constante druk
leveren.
Staartklavier
Voor een
voorbeeldberekening van een toetsdruk is in figuur 3 een eenvoudige
tractuur gegeven. Dit voorbeeld gaat uit van een staartklavier dat
direct aan de speelklep hangt. |
|
De
speelklep wordt door een veer dicht gehouden. De kracht van deze veer
moet minimaal gelijk zijn aan de gewichten die de klep open willen
trekken. Dat zijn het gewicht van de klep zelf en het gewicht van de
toets. Nemen we voor het gewicht van de klep 30 gram en voor het
toetsgewicht 60 gram.
In dit voorbeeld hangt
de toets aan het einde van de klep en drukt de veer in het midden. We
hebben hier dus te maken met een hefboomwerking met een
overzetverhouding van 2 : 1. We berekenen de trekkracht die het
toetsgewicht op de veer oefent met formule 1 als volgt, als L het
toetsgewicht is en K de veerdruk’ daarvoor: |
|

Figuur
3 Tractuur met staarklavier. |
|
|
L . l1 = K
. l2,
waarin l1 :
l2 = 2 : 1
Toetsgewicht . 2 =
veerdruk’ . 1
60 . 2 = veerdruk . 1
-> veerdruk’ = (2 x 60) = 120 gf |
| Tellen we hierbij
het gewicht van de klep op die ook door de veer omhoog gehouden wordt,
dan wordt de minimaal benodigde totale veerdruk: 120+30=150 gf. Naast de
veerdruk drukt ook de winddruk de klep dicht. Nemen we als voorbeeld een
speelklep van 100 x 12 mm en een winddruk van 50 mmWk. 1 mmWk komt
overeen met een druk van 0,1 gf/cm2. Dit geeft een winddruk
op de klep van 60 gf. Is de orgelmotor ingeschakeld dan wordt de
speelklep dicht gedrukt door de veer en door de winddruk. Samen geeft
dit een klepdruk van: |
| |
klepdruk = 150 +
60 = 210 gf |
| Deze klepdruk
wordt uitgeoefend in het midden van de klep maar de toets trekt aan het
einde van de klep zodat we ook hier te maken hebben met een hefboom met
een overzetverhouding van 2 : 1. De trekkracht van de toets bepalen we
als volgt: |
|
|
trekkracht : klepdruk
= 1 : 2
trekkracht = (klepdruk
: 2) = 210 : 2 = 105 gf |
|
Op de toets grijpt de
tractuur in het midden aan, terwijl de vinger de toets op het einde
indrukt. Ook hiervoor geldt een hefboom met een overzet verhouding van 2
: 1. De druk die de vinger op de toets moet uitoefenen is dus de helft
van de trekkracht. Deze is dus 105 : 2 = 52,5 gf (kd). Als
gevolg van deze hefboom is ook de beweging van de klep gehalveerd. Gaat
de toets bijvoorbeeld 10 mm naar beneden, dan zal de speelklep zich de
helft hiervan, 5 mm, openen.
Is de speelklep
geopend dan kunnen we de winddruk die op de speelklep wordt uitgeoefend
verwaarlozen, m.a.w. alleen de veer oefent nog druk uit op de klep uit.
Berekenen we nu de toetsdruk opnieuw, dan vinden we voor de toetsdruk
bij geopende speelklep een druk van 37,5 gf (ko). |
|
Noemen we het verloop van de
toetsdruk van dichte naar geopende speelklep het touché en zetten we de
gevonden waarden in een grafiek, dan krijgen ongeveer het verloop van
figuur 4.
De grafiek begint met
de berekende toetsdruk kd van 52,5 gf waarbij de klep dicht
is en eindigt bij ko van 37,5 gf als de speelklep open is.
Daartussen loopt de druk eerst iets op. Het aanvankelijk oplopen van de
druk na het punt kd (de 'bobbel' in de curve) is het gevolg
van windturbulentie die onstaat achter de nog niet geheel geopende
speelklep. Deze windturbulentie veroorzaakt een extra 'zuig'-kracht op
de klep die opgeteld moet worden bij de winddruk en de veerdruk op de
klep. De vorm en de hoogte van de 'bobbel' in de curve wordt bepaald
door de vorm en de grootte van de cancel en van de speelklep. De hoogte
van de bobbel mag volgens de voorschriften van de A.V.O.N. (*2) de 160
gram niet overschrijden. In de praktijk geeft men de speelklep daarom
schuine |
|

Figuur
4 Verloop toetsdruk bij een staartklavier. |
| kanten zodat de
wind gemakkelijk afglijdt langs de klep en dus weinig turbulentie
veroorzaakt. Ook het beperken van de klepoverslag op de cancelrand heeft
een gunstige invloed op drukcurve. |
Balansklavier
In
figuur 5 is een voorbeeld gegeven van een tractuur met een
balansklavier. In de tractuur is een extra wip aangebracht om de
omhooggaande beweging van de toetsstaart om te zetten in een
trekbeweging voor de speelklep. Ter wille van de vergelijkbaarheid is
voor deze wip een overzetverhouding van 1 : 2 gekozen zodat de toetsgang
en de klepopening zich in de zelfde verhouding bewegen als bij het
vorige voorbeeld. Bij de berekening verwaarlozen we het gewicht van de
wip.
De druk van de veer op
de klep wordt nu alleen bepaald door het gewicht van de klep zelf. De
toets is in ‘balans’ en zijn gewicht oefent dus geen trekkracht uit op
de klep. Het gewicht van de klep stellen we evenals in het vorige
voorbeeld op 30 gram. Voor de winddruk op de klep nemen we eveneens 60
gram. De totale druk op de klep is dan: |
|

Figuur
5 Tractuur met balansklavier |
| |
klepdruk = 30 + 60
= 90 gf |
| Deze druk grijpt
aan in het midden van de klep, de tractuur aan het einde van de klep. De
trekkracht voor de tractuur wordt dan: |
|
|
trekkracht : klepdruk
= 1 : 2
trekkracht = (klepdruk
: 2) = 90 : 2 = 45 gf |
|
De wip in de tractuur
halveert deze kracht nogmaals, dus (45 : 2) = 22,5 gf (kd).
De toets zelf heeft een overzetverhouding van 1 : 1, zodat de vinger op
de toets de gevonden waarde moet opbrengen.
Is de speelklep
eenmaal geopend, dan oefent alleen de veer een druk uit van 30 gf op de
klep. Berekenen we nu de druk die de vinger op de toets moet uitoefenen,
dan vinden we een druk van 7,5 gf (ko). Zetten we de gevonden
waarden voor kd en ko in een grafiek, dan geeft
dit figuur 6. |
|
Het drukverloop van het
balansklavier begint vrijwel 'drukloos', waarna het zeer snel stijgt tot
het punt kd. In dit deel van de toetsbeweging wordt alle
speling in de tractuur en de eventuele -bewust aangebrachte- vrije slag
van de tractuur overwonnen tot dat de tractuur 'strak' staat bij kd.
Deze vrije slag ontbreekt bij het staartklavier omdat daarbij de toets
via de tractuur direct aan de klep hangt en de tractuur dus steeds strak
staat. De staarttoets heeft hierdoor een zeer direct contact met de
speelklep. Na het punt kd voelen we in de toets de weerstand
van de speelklep. Deze verloopt via de turbulentie hobbel tot het punt ko.
Op dit punt hebben slechts een druk van 7,5 gf nodig om de toets naar
beneden te houden. Deze zeer geringe waarde hebben we gevonden door de
bij de berekeningen voor zowel het staartklavier als het balansklavier
van dezelfde voorwaarden uit te gaan. Hierdoor zijn de grafieken van het
toetsdruk verloop vergelijkbaar.
Opmerkelijk verschil
tussen beide systemen is de benodigde kracht van de klepveer. Bij het
staartklavier is dit 150 gf en bij het balansklavier 30 gf. In de
praktijk zal bij het gebruik van een balansklavier een wat zwaarder
veertje worden gekozen maar dat kan lichter zijn dan bij het
staartklavier, immers het veertje behoeft niet het gewicht van de toets
omhoog te houden. |
|

Figuur
6 Drukverloop bij een balansklavier. |
|
Vergelijken we het
drukverloop van het staartklavier en het balansklavier, of anders gezegd
de speelaard van de klavieren, dan is dit niet te beoordelen in goed of
slecht. Spelers die een klavecimbel of piano gewend zijn zullen de
speelaard van een balansklavier prefereren omdat het drukverloop hiervan
het meest overeenkomt met de toetsaanslag van deze instrumenten. Bij
zo’n tractuur kan de toets een stukje onafhankelijk van de speelklep
bewegen doordat de toets niet direct aan de klep hangt. Door deze vrije
slag kan men de toetsen licht aanraken zonder dat de speelklep geopend
wordt. Organisten zullen veelal de voorkeur geven aan een staartklavier
omdat dit systeem hen een direct tactiel-contact (drukgevoel) geeft met
de speelklep.
Veerdruk
De druk die een veertje
op de speelklep kan uitoefenen wordt bepaald door de lengte van de armen
en het aantal windingen van het oogje. Des te meer windingen des te
slapper is de veer, maar ook des te constanter is de veerdruk. Dat wil
zeggen dat bij het indrukken van de veer de kracht min of meer gelijk
blijft. Zou je bijvoorbeeld geen windingen nemen, of een halve slag
zonder dat er een oogje ontstaat, dan heb je wel een sterke veer maar
zonder constante veerdruk. Hoe verder je zo'n veertje indrukt hoe
'zwaarder' hij gaat. Voor toepassing als klepveer in een orgel is dat
niet gunstig. Het gevolg is namelijk dat hoe verder je de klaviertoets
indrukt des te meer kracht er nodig is. Dat geeft een zwaar touché. Bij
de berekeningen aan de tractuur zijn we er van uit gegaan dat de
veerdruk constant blijft tijdens het open gaan van de klep.
De veerdruk is, naast
de lengte van de armen en het aantal windingen, ook afhankelijk van de
diameter van het oogje. Maak je het oogje kleiner dan wordt het veertje
stugger. Maak je daarentegen de armen langer dan wordt het veertje
slapper. Een te slap veertje kan je dus 'opwaarderen' door de armen wat
in te korten. Bij de huisorgels die ik tegen kwam waren de armen meestal
zo'n 8 tot 10 cm en het oogje 8 tot 10 mm. Verder is het materiaal van
het verendraad van belang. De meest voorkomende zijn:
roestvrijstaaldraad, fosforbronsdraad en messingdraad. De PBNA-bijbel
(*3) geeft hiervoor o.a. de volgende materiaalconstanten:
E
s
(kN/mm2)
(N/mm²)
__________________________________________________
Roestvrijstaaldraad
170 800
Fosfosbronsdraad
120 500
Messingdraad
100 280
__________________________________________________
E =
elasticiteitsmodules, s (sigma) = buigspanning.
De buigspanning
s
heeft te maken met de veerkracht van het materiaal. Het is aangegeven in
Newton (*4) per mm². De tabel geeft aan dat een messingdraadje
aanzienlijk dikker moet zijn dan een staaldraadje voor dezelfde
veerkracht. Let op, het gaat hierbij om de oppervlakte van de draad en
niet om de doorsnede. Een staaldraadje van 1 mm Ø heeft dus evenveel
veerkracht als een messingdraadje van 1,7 mm Ø. De eigenschappen van
fosforbronsdraad zitten hier tussenin. De elasticiteitsmodules heb je
o.a. nodig bij het berekenen van het aantal windingen van een veertje.
Het geeft aan dat roestvrijstaaldraad (E = 170) meer windingen toestaat
dan messingdraad (E = 100) om een even sterk veertje te buigen.
Maak eerst een paar
proefveren en test deze met een brievenweger. Houdt daarbij een veerarm
tegen je vinger en laat de andere tegen de brievenweger drukken. Druk
dan de veer net zover in als later het orgel. Lees nu de veerdruk af op
de brievenweger. Om te controleren of de veerdruk constant is druk je
het veertje iets meer of iets minder in. Blijft de weegschaal ongeveer
hetzelfde gewicht aangeven dan is het veertje goed. Varieert het gewicht
nogal neem dan wat dikker materiaal en meer windingen voor het oogje.
Bij de ideale veer is de hoek tussen de veerarmen niet meer van invloed
op de veerdruk.
Klavierkoppelingen
Om de
speelmogelijkheden van een (huis-)orgel te vergroten worden tussen de
klavieren koppelingen aangebracht. Voorwaarden voor een goede
klavierkoppeling zijn dat de gekoppelde toets geheel wordt ingedrukt en
dat de speelaard niet onnodig zwaar wordt. Een eenvoudige model van een
klavierkoppeling wordt weergeven in figuur 7. Hierbij kan door middel
van een verschuifbaar klavier een koppeling gemaakt worden tussen
manuaal I en II, of tussen manuaal II en I.
De werking is als
volgt: schuift de speler het bovenklavier van zich af, dan wordt bij het
indrukken van een toets op dit klavier tevens een toets van het
onderklavier ingedrukt. Trekt men het bovenklavier naar zich toe, dan
trekt een ingedrukte toets van het onderklavier een toets van het
bovenklavier met zich mee. In de middenstand wordt geen koppeling tot
stand gebracht. Men bedient de koppeling door de bakstukken van het
bovenklavier te verschuiven. Hiervoor moet men twee handen gebruiken
zodat wordt voorkomen dat men met ingedrukte toetsen de koppeling
bedient. |
| Voor een correcte
koppeling is het van belang dat de toetsen elkaar voor –nagenoeg- de
volledige toetsgang meenemen. Dit wordt bewerkstelligd door de toetsen
op het juiste punt aan elkaar te koppelen. Berekenen we dit punt aan de
hand van figuur 8. Als voorbeeld nemen we de volgende maten voor de
klavieren: bovenklavier 40 cm, onderklavier 64 cm. Dit laatste klavier
moet, voor een goede werking bij dit systeem van koppelen, altijd langer
zijn dan het bovenklavier. |
|

Figuur 7 Voorbeeld waarbij de manuaalkoppeling tot stand gebracht wordt
door het verschuiven van het bovenklavier. |
| Op het punt x,
waar de koppeling tot stand gebracht wordt, moet de diepgang van beide
klavieren gelijk zijn. |
| Dit
bereikt men door de verhouding van de stukken a en b gelijk te maken aan
de verhouding van de stukken c en d. In formule: |
|

Figuur 8 Schematische weergave van figuur 7. |
| |
|
|
of ook: |
a : b = c
: d
a : l1
= c : l2 |
|
| waarin
l1 en l2 de lengten van de toetsen zijn. Als de
ondertoetsen 12 cm voor de boventoetsen uitsteken, dan kunnen we voor
stuk c ook invullen: a + 12. Het stuk a laat zich nu als volgt
berekenen: |
|
|
a : l1 = c
: l2
a : 40 = (a + 12) : 64
40a + 480 = 64a à
a = 20
|
|
Het punt waar de koppeling op
het bovenklavier aangrijpt ligt dus op 20 cm van de voorkant van de
toetsen, op het onderklavier ligt het op (20 + 12) = 32 cm van de
voorkant van de toetsen. In beide gevallen is dit precies op de helft
van de lengte van de toetsten. Voor beide koppelingen, d.w.z. I+II en II+I,
geldt het zelfde punt. Bij de constructie moet men er dus voor zorgen
dat beide koppelingen zo dicht mogelijk tegen elkaar aan liggen. In de
praktijk zal het bovenklavier 8 tot 12 mm naar voren en naar achteren
kunnen schuiven.
Met behulp van formule
1 berekenen we de benodigde kracht bij gekoppelde klavieren, waarbij we
voor de afzonderlijke klavieren een kracht van 100gf toelaten. Dit leidt
dan tot: |
|
|
100 . l1 =
kx . lb
100 . 40 = kx
. 20 à kx = 200 gf
|
|
hierin is kx
de kracht van het gekoppelde klavier op punt x. Op het gespeelde klavier
neemt men dit waar als kt. Hiervoor geldt: |
|
|
kt . l2
= kx . ld
kt
. 64 = 200 . 32 à kt = 100 gf
|
|
Telt men hierbij de
eigen kracht van het klavier op, dan geldt voor gekoppelde klavieren een
kracht van 200 gf, hetgeen gelijk is aan de som van de krachten van de
afzonderlijke klavieren.
Koppelingen volgens het boekje
Oosterhof en Bouman
geven in hun boek ‘Orgelbouwkunde’ drie voorbeelden van krachtberekening
bij gekoppelde klavieren (blz. 136 e.v.). De uitkomsten zijn in twee
gevallen lager en in een geval hoger dan de som van de kracht van de
afzonderlijke klavieren. De oorzaak hiervan is dat het gekoppelde
klavier niet over zijn gehele diepgang wordt meegenomen (lagere som),
of te laat wordt meegenomen (hogere som). Als het gekoppelde klavier
niet over zijn volledige diepgang wordt meegenomen, zullen ook de
speelkleppen van dat klavier niet geheel worden geopend, wat als gevolg
zal hebben dat “het spreken van de pijpen niet geheel naar wens zal
plaatsvinden” (Oosterhof en Bouman). In het geval dat het gekoppelde
klavier te laat wordt meegenomen zal pas in het laatste deel van de
toetsgang van het gespeelde klavier de koppeling plaatsvinden. De
speelkleppen van beide klavieren zullen nu wel geheel worden geopend.
Het nadeel is echter dat de benodigde kracht hoger is als de som van de
afzonderlijke klavieren. |
|
Bormann
geeft in zijn boekje ‘Heimorgelbau’ een voorbeeld van een dubbelwerkende
manuaalkoppeling (blz |
| 85). Hierbij is
het bovenklavier in een draaibaar raamwerk gevat. Het scharnierpunt van
dit raam ligt ongeveer op de plaats waar de tractuur aangrijpt zodat bij
het op en neer bewegen van het klavierraam dit aangrijpingspunt bijna
niet verandert (fig. 9). Als het raamwerk in de onderste stand staat
drukt een boventoets middels een stift ook een toets van het
onderklavier in. Staat het raamwerk in de hoogste stand dan trekt een
haakje op de toetsen van het onderklavier ook het bovenklavier mee. Gaan
we er van uit dat Bormann’s figuur in de juiste verhoudingen. |
|

Figuur 9 Principe van de manuaalkoppeling uit Bormann's 'Heimorgelbau'. |
| is
getekend, dan kunnen we voor de klavieren en het koppelpunt de volgende
maatvoering herleiden (fig. 10). |
|
Met behulp van formule
1 berekenen we de toetsdruk als het onderklavier ook een toets van het
bovenklavier meeneemt bij een toetsdruk van 100 gf. |
|
|
100 . 20 = kk
. 13 à kk = 154 gf
|

Figuur 10 Maatvoering bij figuur 9. |
|
hierin is kk
de kracht op het koppelpunt. Dit geeft op het onderklavier een toetsdruk
van (kt): |
|
|
kt . 26 =
154 . 8 à kt = 47 gf
|
|
Vermeerdert men deze
kracht met de eigen toetsdruk van het onderklavier, dan vindt men voor
de gekoppelde klavieren een kracht van 100 + 47 = 147 gf. Dit is kleiner
dan de som |
|
‑200 gf- van de
afzonderlijke klavieren, hetgeen doet vermoeden dat de toets van het
bovenklavier niet voor zijn gehele diepgang wordt meegenomen. Berekenen
we de diepgang van een boventoets (ltb) als deze door de
koppeling wordt meegenomen door een ondertoets met formule 2, waarbij we
voor de diepgang van de ondertoets 10mm (lto) nemen. |
|
|
lto
: l1 = lk : l2
10 : 26 =
lK : 8
à
lk = 3 mm
|
|
hierin is lk
de diepgang van de ondertoets op het koppelpunt. Voor de boventoets
geldt dan: |
|
|
3 : 13 = ltb
: 20 à ltb = 4,6 mm
|
|
|
Pedaalkoppelingen
Om de
speelmogelijkheden van het pedaalklavier te vergroten worden naast
zelfstandige stemmen op het pedaal ook koppelingen naar de klavieren
aangebracht. Bij een tweeklaviers orgel geeft dat de volgende
mogelijkheden: Ped – Man I, Ped – Man II, Ped – Man I+II. Is er ook een
klavierkoppeling aangebracht dan heeft het de voorkeur dat deze
koppeling niet door de pedaalkoppeling wordt meegetrokken. Figuur 11
geeft hiervan een voorbeeld.
Krachtberekeningen bij
pedaalkoppelingen zijn niet interessant. Meestal is de veer van de
pedaaltoets al vele malen ‘zwaarder’ dan de kracht die nodig is om een
manuaaltoets in te drukken zodat een paar honderd gram meer of minder
niet zal opvallen. We laten de berekeningen hier dan ook achterwege.
Figuur 11 geeft een
voorbeeld van de tractuur en koppelingen bij een huisorgel (in aanbouw).
Hierin zijn alle wippen getekend die nodig zijn om de klavieren met de
windladen te verbinden en koppelingen tot stand te brengen. De wippen
waarbij het draaipunt door een driehoekje is weergegeven staan in
spreidstand.
De wippen voor de koppelingen zijn in balkjes gemonteerd die in gleuven
op en neer bewogen kunnen worden. Alle koppelingen zijn in ‘Aan’ stand
getekend (hoge stand). De ‘Uit’ stand (lage stand) is door een wit vakje
aangegeven. De koppeling Ped - Man I werkt onafhankelijk van de
koppeling Man I – Man II. Dit wordt bereikt doordat de trekdraad a vrij
door de toets op en neer kan bewegen. Om het verschil in diepgang van
het pedaalklavier en de manuaalklavieren te overbruggen, zijn de wippen
voor de pedaalkoppelingen in een overzet verhouding van 1 : 1,5
uitgevoerd. Bij de wippen van de koppeling Ped – Man II zijn op de
korte armen kleine stukjes lood aangebracht. Deze houden de wippen naar
beneden zodat ze in rust geen druk op de tractuur uitoefenen. Bij de
veel kleinere wippen van de koppeling Ped – Man I is niet nodig. In dit
voorbeeld heeft de tractuur van Man I een steker naar lade I en een
trekdraad (b) naar lade II. Via de trekdraad wordt een
transmissie van een register
op lade II (Holpijp 8 vt) bewerkstelligd. |

Figuur 11 Voorbeeld
van tractuur en koppelingen bij een huisorgel. |
|
In de praktijk
In dit
excerpt zijn slechts enkele voorbeelden gegeven van tractuur en
koppelingen. Voor het ontwerpen van een tractuur voor het eigen
(huis-)orgel is het raadzaam om de voorhanden zijnde orgelliteratuur te
raadplegen. Men zal hierin echter zelden een direct toepasbaar ontwerp
vinden voor de eigen specifieke situatie. Kan men uit het ene boek de
tractuur en uit een ander boek een koppeling gebruiken, dan is het
noodzaak het ontwerp door te rekenen op krachten en bewegingen. De in
dit excerpt gegeven formules zijn daarvoor in bijna alle gevallen
toereikend. De gegeven voorbeelden gaan uit van wippen waarvan de armen
in het verlengde liggen van elkaar. Voor wippen waarvan de armen onder
een hoek staan gelden dezelfde berekeningen. Men neemt dan voor de
lengte van de arm de afstand tussen het draaipunt en het aangrijppunt.
Passen we de gegeven formules
toe op het ontwerp van figuur 11. Bij dit ontwerp werd uitgegaan van
bestaande klavieren (afbraak orgel). Voor de opzet van de
manuaalkoppeling werd geput uit de talloze voorbeelden die Audsley
geeft in zijn boek ‘The Art of Organ-Building’ (II, blz 183).Dit ontwerp
gaat uit van een éénarmige wip waarvan een uiteinde rust op het uiteinde
van de staart van het onderklavier. Bij de gekozen opzet schuift de
koppelbalk tussen de –verlengde- bakstukken van het onderklavier op en
neer om de koppeling te bedienen. Hierdoor ligt de lengte van de wip
vast (fig. 12). Bij dit ontwerp is er voor gekozen om beide klavieren
dezelfde diepgang te geven. Veelal kiezen orgelbouwers voor een kleinere
diepgang van het tweede klavier, bijvoor beeld 8 mm terwijl het
hoofdklavier bijvoorbeeld een diepgang heeft van 10 mm.
Vinden we door
berekening de plaats x op de wip waar deze middels een steker de toets
van het bovenklavier zover omhoog drukt dat beide klavieren een even
grote slag maken. |
| Het einde van de
wippen voor de manuaalkoppeling rust op de staart van het onderklavier.
Dit punt maakt dus dezelfde slag als het uiteinde van de toets van het
bovenklavier. Het lijnstuk b van de wip zal dus dezelfde verhouding tot
de totale lengte van de wip moeten hebben als het lijnstuk a van de
toetsstaart tot
de totale lengte van de toetsstaart. Hierdoor kunnen we de volgende
vergelijking opstellen: |
|

Figuur 12 Maatvoering bij figuur 11 voor de berekening van de
manuaalkoppeling. |
|
|
a : 34 = b :
14 of:
14a = 34b
|
|
Het verband tussen a en b
vinden we in de tekening als: |
|
|
a + b = 34 + 4 = 38
cm à b = (38 – a)
|
|
Vullen we dit in de eerste
vergelijking in, dan vinden we: |
|
|
14a = 34
. (38 – a)
14a =
1292 – 34a
à
a = 26,9 mm en b = (38 – 26,9) = 11,1 mm
|
|
De berekening van de kracht
voor het gekoppelde klavier laten we aan de lezer. |
|
Vuistregels
Maak de armen van
wippen niet te kort. Bedenk daarbij dat het uiteinde van een wip in
feite een cirkelbeweging is. Er zal dus naast een op en neergaande
beweging ook altijd een heen en weergaande beweging plaatsvinden. Drukt
een arm van een wip direct op een toets of op een andere wip dan merk je
dit als wrijving. Een tractuur kan daardoor minder soepel functioneren.
|
|


Figuur 13 Voorbeelden van het aangrijppunt van trekdraden op wippen. |
|
Geef trekdraden en
stekers de ruimte. Op de plek waar de trekdraden en stekers aangrijpen
op toetsen of wippen moet voldoende ruimte zijn voor de ‘cirkelbeweging’
die deze maken (figuur 13).
|
|
|
Teken de tractuur
bijvoorkeur uit op ware grootte. Als wippen in spreidstand staan is een
tekening op ware grootte een noodzakelijk hulpmiddel voor het overnemen
van de hoek waaronder de gleuven in een wippenbalk komen. Men bedenke
daarbij dat, zeker als de wippen wat langer zijn, bij een enkele graad
verschil in hoek de wip vele millimeters naast de beoogde plaats
uitkomt. Nauwkeurigheid is hier dus geboden. |
|
| Verdeel de
beweging over de beschikbare wippen. Moet men middels twee wippen, of
een wip en een toets, een slag vergroten c.q. verkleinen, dan heeft het
de voorkeur de slag te verdelen over beide wippen. Voor bijvoorbeeld een
overzetverhouding van 1 : 2 neemt men tweemaal een overzetverhouding 1 :
Ö2 = 1 : 1,4. |
***************************************************************************************
|
*1 De berekening zou
eigenlijk in Newton moeten plaatsvinden. Ter wille van de eenvoud worden
alle
berekeningen in dit excerpt in kg of gr uitgevoerd. Om onderscheid met
gewichten te maken voegen we
hieraan een f toe, dus kgf en gf.
*2
Algemene
Voorschriften Orgelbouw Nederland
*3
Polytechnisch
Zakboekje, Koninklijke PBNA BV, Arnhem 1983
*4
9,80665 N is gelijk
aan 1 kgf |
|
|
|
|
|
|
|